ECLI:NL:RBMNE:2022:2135
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €295.000
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een in 1987 gebouwde rijwoning met een gebruiksoppervlakte van 86 m2 en een kaveloppervlak van 104 m2. De waarde per 1 januari 2020 is vastgesteld op €295.000, waartegen eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde wijk, verkocht rond de waardepeildatum. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat verweerder de verschillen adequaat heeft verwerkt in de waardebepaling.
Eiser voerde aan dat de woning slecht onderhouden is met vocht- en schimmelproblemen en dat de voorzieningen slechter zijn dan door verweerder gewaardeerd. De rechtbank vond echter onvoldoende bewijs dat de staat van onderhoud en voorzieningen slechter is dan de gehanteerde waarderingen en concludeerde dat verweerder hiermee rekening heeft gehouden.
Ook het standpunt van eiser dat alleen de referentiewoning met de laagste m2-prijs als vergelijkingsbasis moet dienen, werd verworpen. De rechtbank bevestigde dat verweerder vrij is om meerdere referentiewoningen te gebruiken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de WOZ-waarde van €295.000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €295.000 wordt ongegrond verklaard.