Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
747,00
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een kort geding tussen woonstichting Centrada en een huurder die sinds oktober 2018 een sociale huurwoning huurt. De huurder is in voorlopige hechtenis en de woning is zonder toestemming onderverhuurd door zijn voormalige partner. Centrada vordert ontruiming van de woning, betaling van huurachterstanden, schadevergoeding en proceskosten.
De kantonrechter stelt vast dat de huurder de woning niet zelf bewoont, wat in strijd is met het huurreglement, en dat er sprake is van onrechtmatige onderverhuur. De huurachterstand is niet betwist en bedraagt meerdere maanden. De huurder kan de achterstand niet binnen een redelijke termijn voldoen en heeft onvoldoende onderbouwd dat bijzondere omstandigheden ontruiming rechtvaardigen.
De kantonrechter oordeelt dat Centrada een spoedeisend belang heeft en dat de vordering in een bodemprocedure kans van slagen heeft. Daarom wordt de ontruiming binnen veertien dagen bevolen, met een verbod voor de huurder om de woning opnieuw te betrekken. Daarnaast wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, incassokosten, een schadevergoeding voor de onrechtmatige onderverhuur en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen en betaling van huurachterstanden, schadevergoeding en proceskosten.