ECLI:NL:RBMNE:2022:1677
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning te Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vastgestelde WOZ-waarde van een woning in Utrecht ter discussie. Eiser betwistte de waarde van €229.000, vastgesteld door de gemeente op basis van de Wet WOZ, en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onduidelijkheid over de indexeringspercentages en de waardering van onderhoud en voorzieningen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, onder meer door een taxatiematrix waarin de verschillen tussen de woning en referentiewoningen inzichtelijk werden gemaakt. De rechtbank verwierp de beroepsgrond over de indexeringspercentages omdat deze niet tijdig was ingebracht en geen motiveringsgebrek bestond.
Daarnaast werden argumenten over de aard van de woning (hoek- versus eindwoning) en de staat van onderhoud niet ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. De rechtbank stelde vast dat verweerder de onderhouds- en voorzieningsfactoren passend had gewaardeerd en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de woning slechter was dan de referentiewoningen.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de vastgestelde WOZ-waarde van €229.000. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €229.000 wordt ongegrond verklaard.