Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:1480

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2022
Publicatiedatum
19 april 2022
Zaaknummer
C/16/529413 / FO RK 21-1103
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 1:5 lid 8 BWArt. 1:5 lid 11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ouderschap na embryo-terugplaatsing na overlijden vader

De moeder verzocht de rechtbank het ouderschap van haar overleden echtgenoot vast te stellen over hun tweede dochter, die na zijn overlijden is geboren uit een embryo-terugplaatsing. De rechtbank benoemde een bijzondere curator ter vertegenwoordiging van het belang van het kind en ontving diverse schriftelijke stukken en een advies.

De rechtbank concludeerde dat de man de biologische vader is, ondanks dat het kind niet op natuurlijke wijze is ontstaan maar via medische interventie. Op grond van artikel 1:207 BW Pro kan het ouderschap worden vastgesteld, ook postuum, wanneer de persoon als verwekker kan worden aangemerkt. De rechtbank erkent dat het begrip 'verwekker' strikt genomen niet volledig aansluit bij de situatie, maar acht het passend in deze bijzondere context.

De rechtbank stelde het ouderschap van de man vast en bepaalde dat het kind de geslachtsnaam en het adellijke predicaat van de man zal dragen, gelijk aan de oudere dochter. Het verzoek om onmiddellijke uitvoerbaarheid werd afgewezen omdat de geboorteakte pas kan worden aangepast na onherroepelijkheid van de beschikking.

De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2022 en kan binnen drie maanden door tussenkomst van een advocaat worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het vaderschap van de overleden man over het kind wordt vastgesteld en het kind krijgt zijn geslachtsnaam en adellijke titel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/529413 / FO RK 21-1103
vaststelling ouderschap
Beschikking van 21 april 2022
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. C.S.M. Ruijgrok,
met als belanghebbende
mr. A.C. Otten,
kantoorhoudende in [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,
als bijzondere curator over het kind
[minderjarige 2].

1.De procedure

1.1.
De moeder heeft op 19 oktober 2021 een verzoekschrift ingediend, met bijlagen.
1.2.
In de beschikking van 29 november 2021 heeft de rechtbank mr. A.C. Otten benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 2 (voornaam)] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige 2 (voornaam)] in deze procedure en komt op voor haar belang.
1.3.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het advies van 20 december 2021 van de bijzondere curator;
  • het aanvullend verzoekschrift van de moeder, ingediend op 3 februari 2022;
  • het F-formulier van 11 februari 2022 van de moeder, met bijlage;
  • het F-formulier van 24 maart 2022 van de moeder.
1.4.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 31 maart 2022. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat,
  • de bijzondere curator,
  • mevrouw [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [plaats 2] ,
  • mevrouw [B] , een vriendin van de moeder.

2.Waar het over gaat

2.1.
De moeder was getrouwd met
jonkheer [C](hierna te noemen: de man).
2.2.
Het huwelijk van de moeder en de man is ontbonden door het overlijden van de man op [overlijdensdatum] 2020.
2.3.
Tijdens het huwelijk van de moeder en de man is geboren:
jonkvrouw [minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] .
2.4.
Na het overlijden van de man is de moeder bevallen van een tweede dochter:
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] .
2.5.
Uit de verklaring van 31 juli 2021 van het [naam 1] , locatie [naam 2] , blijkt dat de zwangerschap waaruit [minderjarige 2 (voornaam)] is geboren, is ontstaan uit de embryo-terugplaatsing van 7 april 2021 waarbij het ingevroren embryo afkomstig was van de moeder en de man samen.
De man heeft voor zijn overlijden hiervoor toestemming gegeven.
2.6.
De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man had ook de Nederlandse nationaliteit.
2.7.
De moeder verzoekt om het ouderschap van de man over [minderjarige 2 (voornaam)] vast te stellen. Dat wil zeggen dat de man in juridische zin voortaan als de vader van [minderjarige 2 (voornaam)] wordt aangemerkt.
Daarnaast heeft de moeder verzocht dat [minderjarige 2 (voornaam)] na de vaststelling van het ouderschap de geslachtsnaam en titel van de man zal dragen.
2.8.
De bijzondere curator vindt het in het belang van [minderjarige 2 (voornaam)] dat de verzoeken worden toegewezen.

3.De beoordeling

Conclusie
3.1.
De rechtbank zal het ouderschap van de man over [minderjarige 2 (voornaam)] vaststellen.
Daarnaast zal de rechtbank vaststellen dat [minderjarige 2 (voornaam)] de geslachtsnaam en het adellijke predicaat van de man zal dragen na de vaststelling van het ouderschap.
De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Vaststelling ouderschap
3.2.
Voor de rechtbank staat vast dat de man de biologische vader is van [minderjarige 2 (voornaam)] , gelet op de verklaringen van de moeder en het [naam 1] over de ontstaansgeschiedenis van [minderjarige 2 (voornaam)] .
3.3.
Op grond van artikel 1:207 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het ouderschap van een persoon vaststellen – ook indien deze is overleden – op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.
3.4.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ‘de verwekker’ van een kind is: de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan. Het begrip ‘verwekker’ valt daarom niet samen met het begrip ‘biologische vader’. [1]
3.5.
Gelet op deze terminologie kan de man strikt genomen niet als verwekker worden aangemerkt, maar de rechtbank zal dit wel doen. Hierna licht de rechtbank dit toe.
Bij het criterium dat een persoon als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, wordt ervan uitgegaan dat die persoon niet de biologische ouder van het kind is. Dat is in deze zaak echter wel het geval. De moeder en de man zijn de biologische ouders van [minderjarige 2 (voornaam)] . [minderjarige 2 (voornaam)] is alleen niet op geheel natuurlijke wijze ontstaan, maar met behulp van de medische wetenschap.
In deze bijzondere situatie vindt de rechtbank het begrip ‘verwekker’ het best aansluiten bij de werkelijkheid. Eerder heeft ook de Rechtbank Gelderland in die zin geoordeeld in een vergelijkbare zaak. [2]
3.6.
Ook aan de andere wettelijke eisen is voldaan. [3] Daarom zal de rechtbank het ouderschap van de man vaststellen.
Geslachtsnaam
3.7.
[minderjarige 2 (voornaam)] zal de geslachtsnaam
[achternaam van C]dragen, want [minderjarige 1 (voornaam)] , de oudste dochter van de moeder en de man, draagt ook die naam. [4]
Nu [minderjarige 2 (voornaam)] de geslachtsnaam van de man zal dragen, verkrijgt zij ook het adellijke predicaat van de man. [5]
Uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
De moeder heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt het ouderschap vast van:
jonkheer [C], geboren op [geboortedatum 3] 1981 in [geboorteplaats] en overleden op [overlijdensdatum] 2020 in [plaats 3] ,
over het kind:
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] ;
4.2.
stelt vast dat [minderjarige 2 (voornaam)] de geslachtsnaam van de man zal dragen, zodat zij zal heten:
jonkvrouw [voornamen van minderjarige 2] [achternaam van C];
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit is de beslissing van mr. V.M.M. van Amstel, (kinder)rechter, tot stand gekomen in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2022.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.MvT, Kamerstukken II 1995/1996, 24649, nr. 3, p.8
3.Artikel 1:207 BW Pro
4.Artikel 1:5 lid 8 BW Pro
5.Artikel 1:5 lid 11 BW Pro