ECLI:NL:RBGEL:2021:2631

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2021
Publicatiedatum
27 mei 2021
Zaaknummer
C/05/385208 / FA RK 21-900
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 265 RvArt. 10:97 BWArt. 1:2 BWArt. 1:207 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling ouderschap na postmortale inseminatie

De vrouw, die zwanger is door middel van postmortale inseminatie met het sperma van haar overleden echtgenoot, verzoekt de rechtbank om het vaderschap van haar overleden man vast te stellen ten aanzien van het ongeboren kind. De rechtbank stelt vast dat de man inderdaad de biologische vader is, gebaseerd op zijn notariële verklaring en medische bevestiging van de IVF-behandeling.

De rechtbank oordeelt dat het belang van het ongeboren kind en de vrouw het gerechtvaardigd maakt om het ouderschap vast te stellen en het kind de achternaam van de vader te geven. De uitspraak wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, maar kan direct ten uitvoer worden gelegd door de ambtenaar van de burgerlijke stand na een verzoek van de vrouw.

De vrouw draagt haar eigen proceskosten. Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt toegewezen, terwijl overige verzoeken worden afgewezen. De uitspraak is gedaan door kinderrechter S.W. Kuip op 20 mei 2021 in Arnhem.

Uitkomst: Het vaderschap van de overleden echtgenoot wordt vastgesteld en het ongeboren kind krijgt zijn achternaam.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/385208 / FA RK 21-900
Datum uitspraak: 20 mei 2021
beschikking gerechtelijke vaststelling ouderschap
naar aanleiding van het verzoek van
[verzoeker](nader te noemen: de vrouw),
wonende te [woonplaats], gemeente [naam],
advocaat mr. M.E.W. van Schaijk te Elst, gemeente Overbetuwe.
Als belanghebbende wordt aangemerkt het kind waarvan de vrouw thans zwanger is, vertegenwoordigd door de bijzondere curator mr. C.L. van Olst, advocaat te Arnhem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift namens de vrouw, ingekomen op 10 maart 2021;
- de beschikking van deze rechtbank van 2 april 2021, houdende de benoeming van de (opvolgend) bijzondere curator;
- de brief van de bijzondere curator van 28 april 2021;
- de brief van de griffier van deze rechtbank aan de advocaat van de vrouw, van 6 mei 2021;
- het F9 formulier met bijlage namens de vrouw van 11 mei 2021;
- de brief namens het Openbaar Ministerie van 17 mei 2021.
1.2.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om op de voorhanden zijnde processtukken een beslissing over het verzoek te geven. Een mondelinge behandeling is daarom niet nodig.

2.De feiten

2.1.
De vrouw is gehuwd geweest met
[naam](nader te noemen: de man), geboren op [geboortedatum] en overleden op [datum] te [plaats].
2.2.
Uit het huwelijk tussen de vrouw en de man is op [geboortedatum] in de gemeente [plaats]
[minderjarige]geboren en overleden.
2.3.
Door middel van postmortale inseminatie is de vrouw thans in verwachting van een kind.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt het ouderschap van de man vast te stellen ten aanzien van het kind waarvan zij thans zwanger is en te bepalen dat het (nog) ongeboren kind vanaf de geboorte de achternaam van de man zal hebben, kosten rechtens. Zij stelt daartoe - kort gezegd - dat de man de verwekker van het (nog) ongeboren kind is.
3.2.
De bijzondere curator en het Openbaar Ministerie achten het in het belang van het (nog) ongeboren kind dat zijn afstamming wordt vastgesteld en zij verzoeken de rechtbank overeenkomstig het verzoek te beslissen en dat de in deze te geven uitspraak direct ten uitvoer kan worden gelegd. De bijzondere curator verzoekt daarom de rechtbank om de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

Rechtsmacht

4.1.
De vrouw woont in Nederland. Op grond van artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
Relatieve bevoegdheid
4.2.
De vrouw woont in [woonplaats], gelegen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland. Het (nog) ongeboren kind volgt de woonplaats van zijn/haar moeder. Deze rechtbank is dus op grond van artikel 265 Rv Pro bevoegd van het verzoek kennis te nemen.
Toepasselijk recht
4.3.
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man had de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 10:97 BW Pro is op het verzoek van de vrouw daarom het Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:2 BW Pro wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. De rechtbank acht dit belang aanwezig en neemt daarbij het volgende in aanmerking. De vrouw acht het in het belang van het (nog) ongeboren kind dat het ouderschap gerechtelijk wordt vastgesteld en zij acht dit ook voor zichzelf om emotionele redenen van essentieel belang en zij ervaart dit als een uiting van respect richting haar overleden echtgenoot en zijn familie.
4.5.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:207 lid 3 BW Pro, moet de moeder van het kind het verzoek binnen vijf jaren na de geboorte van het kind indienen. De vrouw kan daarom in haar verzoek worden ontvangen.
4.6.
Op [datum] heeft de man ten overstaan van de notaris (onder meer) verklaard dat na zijn overlijden zijn ingevroren semen en embryo’s door de vrouw gebruikt mogen worden om een zwangerschap bij haar te bewerkstelligen, zulks in een kliniek/ziekenhuis naar haar keuze.
4.7.
Professor dr. [naam], verbonden aan het Centrum Gynaecologie Halle Beersel, heeft op [datum] verklaard dat de vrouw op [datum] in het Universitair Ziekenhuis [plaats] een IVF behandeling heeft ondergaan, gevolgd door een ‘frozen embryo transfer’ en dat voor deze behandeling het spermastaal van de man is gebruikt.
4.8.
Gelet op de hiervoor genoemde verklaringen van de man ten overstaan van de notaris en van professor dr. [naam], staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat de man de verwekker van het (nog) ongeboren kind is. In het belang van het kind en de vrouw zal het verzoek tot de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap worden toegewezen.
4.9.
Nu tijdens de geboorteaangifte van
[minderjarige], het in de gemeente [plaats] op [geboortedatum] geboren en overleden kind van de man en de vrouw, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [naam] een akte van naamskeuze is opgemaakt, zal het (nog) ongeboren kind na het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing over de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap en vanaf de geboorteaangifte de geslachtsnaam van de man krijgen. De rechtbank zal zulks verstaan.
4.10.
De beslissing zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De beslissing zal immers pas in de registers van de burgerlijke stand worden verwerkt als deze in kracht van gewijsde is gegaan. Van belang acht de rechtbank wel dat deze uitspraak direct ten uitvoer kan worden gelegd en zij verzoekt dan ook aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om, na een verzoek van de vrouw daartoe, met spoed tot de inschrijving van de vaststelling van het ouderschap van de man over het (nog) ongeboren kind over te gaan.
4.11.
De vrouw moet haar eigen kosten van de procedure dragen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
stelt vast dat:
- [naam], geboren op [geboortedatum] en overleden op [datum] in de gemeente [naam],
de biologische vader is van:
- het (nog) ongeboren kind;
5.2.
verstaat dat, na het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing over de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, het (nog) ongeboren kind de achternaam van de vader, zijnde “[naam]” zal hebben;
5.3.
bepaalt dat de vrouw haar eigen kosten van de procedure draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.W. Kuip, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van
F. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2021.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.