ECLI:NL:RBMNE:2022:1195
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op ingangsdatum verhoging WAO-uitkering ondanks schending hoorplicht
Na een bedrijfsongeval ontving eiser sinds 2003 een WAO-uitkering. Eiser verzocht in 2019 en opnieuw in 2020 om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid wegens verslechterde gezondheid. Het UWV verhoogde de uitkering met ingang van 24 januari 2019, maar eiser wilde een eerdere ingangsdatum per 1 februari 2018.
De rechtbank oordeelt dat het UWV de hoorplicht bij bezwaar heeft geschonden omdat het bezwaar slechts deels werd gehonoreerd en eiser niet is gehoord over de ingangsdatum. Dit leidt echter niet tot gegrondverklaring van het beroep, omdat eiser in de beroepsfase voldoende gelegenheid had zijn standpunten te presenteren.
De rechtbank volgt het UWV in de uitleg van artikel 35 lid 2 WAO Pro, dat een verhoging van de uitkering niet eerder dan een jaar voor de aanvraagdatum kan ingaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die hier niet aanwezig zijn. De eerdere aanvraag van 5 februari 2019 en het ontbreken van een bezwaar daartegen maken een eerdere ingangsdatum niet mogelijk.
De rechtbank wijst het beroep af, veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van €1.518,- en het griffierecht van €49,- aan eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verhoging van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.