ECLI:NL:RBMNE:2021:6527
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Eiser ontving sinds 2013 bijstand als alleenstaande, maar verweerder stelde na onderzoek vast dat eiser en [moeder] vanaf 13 mei 2014 tot en met 31 maart 2019 een gezamenlijke huishouding voerden. Dit werd vastgesteld op basis van observaties, getuigenverklaringen, bankafschriften en digitaal onderzoek.
Verweerder beëindigde de bijstand per 1 april 2019, herzag eerdere perioden en vorderde €76.605,55 terug wegens onrechtmatige bijstand. Eiser voerde aan dat het onderzoek niet volledig was en dat er geen sprake was van samenwonen, onder meer omdat [moeder] haar bestellingen niet op zijn adres liet bezorgen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van gezamenlijke huishouding en dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard. Tevens werd geoordeeld dat het tijdsverloop geen beletsel vormde voor terugvordering en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij financieel niet in staat was tot terugbetaling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.