ECLI:NL:RBMNE:2021:6101
Rechtbank Midden-Nederland
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over zorgvuldigheid en motivering bij stopzetting Ziektewet-uitkering
Eiseres, werkzaam als pedagogisch medewerker, meldde zich ziek op 15 oktober 2018. Na het eerste ziektejaar besloot verweerder op 29 juni 2020 de Ziektewet-uitkering per 30 juli 2020 te beëindigen, omdat eiseres meer dan 65% van haar laatstverdiende loon zou kunnen verdienen. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank beoordeelde het bestreden besluit aan de hand van een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een brief van de behandelend psychiater. De rechtbank concludeerde dat de medische heroverweging onzorgvuldig was, omdat de verzekeringsarts niet aanwezig was bij de telefonische hoorzitting en onvoldoende had gemotiveerd waarom dit niet nodig was. Tevens was onduidelijk hoe rekening was gehouden met het herstelproces en de effecten van therapieën zoals EMDR.
Verder stelde eiseres dat zij niet 30 tot 32 uur per week kan werken vanwege therapieën en haar thuissituatie, hetgeen onvoldoende door verweerder was gemotiveerd. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en gaf verweerder de gelegenheid om binnen acht weken de gebreken te herstellen. De uitspraak is een tussenuitspraak en verdere beoordeling volgt in de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is en geeft verweerder de gelegenheid de gebreken te herstellen.