ECLI:NL:RBMNE:2021:575
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verzoek informatie persoonsgegevens op grond van Wbp gegrond verklaard
Eiser diende klachten in over de verwerking van zijn persoonsgegevens en verzocht om informatie op grond van artikel 34 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Verweerder nam de klachten niet in behandeling en wees het Wbp-verzoek af, verwijzend naar eerdere besluiten en een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de klachten niet-ontvankelijk is omdat tegen dergelijke besluiten geen bezwaar en beroep openstaat. Ten aanzien van het Wbp-verzoek stelt de rechtbank vast dat verweerder ten onrechte toepassing gaf aan artikel 4:6 Awb Pro door het verzoek als herhaalde aanvraag te behandelen, terwijl dat niet het geval was.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het het Wbp-verzoek betreft en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de toepasselijkheid van de Wbp dan wel de AVG moet worden betrokken. Tevens wordt een dwangsom van €1.260,- vastgesteld wegens niet tijdig beslissen en wordt het griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om informatie op grond van artikel 34 Wbp is gegrond verklaard en verweerder is opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.