ECLI:NL:RBMNE:2021:5543
Rechtbank Midden-Nederland
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over aanvang uitlooptermijn en urenbeperking Ziektewetuitkering
Eiser ontving een Ziektewetuitkering die per 6 juli 2020 werd beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmanloon kon verdienen. De rechtbank beoordeelde of de uitlooptermijn van een maand correct was toegepast en of de urenbeperking in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) juist was vastgesteld.
De rechtbank stelde vast dat de uitlooptermijn aanvangt op de datum van het primaire besluit (5 juni 2020) en niet op een latere datum zoals eiser betoogde. De communicatie van de arbeidsdeskundige na het besluit was niet bepalend voor het begin van de termijn. Ook was er geen sprake van partijdigheid of onzorgvuldigheid in het medisch onderzoek. De verzekeringsartsen hadden de beperkingen passend gemotiveerd en rekening gehouden met psychische klachten en behandelingen.
Wel constateerde de rechtbank een motiveringsgebrek over de urenbeperking, omdat eiser op 22 juni 2020 een behandeling bij een instelling was gestart die 15 uur per week in beslag neemt. Verweerder had onvoldoende toegelicht waarom dit niet tot een verdere urenbeperking leidde, mede gezien tegenstrijdige verklaringen over het belang van de aard van de behandeling. De rechtbank gaf verweerder vier weken de tijd om dit gebrek te herstellen en hield verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de uitlooptermijn terecht vanaf 5 juni 2020 loopt, maar constateert een motiveringsgebrek over de urenbeperking en geeft verweerder vier weken om dit te herstellen.