Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
- wijst de vordering van [slachtoffer] voor de onder 2, 3 primair 4 ten laste gelegde feiten toe tot een bedrag van € 2.759,26, waarvan € 759,26 materiële schade en € 2.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2021 tot de dag van de algehele voldoening;
- verklaart de vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij deze vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2.759,26 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 37 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.