ECLI:NL:RBMNE:2021:4618
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning aan een adres in Utrecht, welke door verweerder was vastgesteld op €389.000,- voor het belastingjaar 2020. Zij stelde een lagere waarde van €366.000,- voor en voerde aan dat vergelijkbare woningen en de ligging van haar woning onvoldoende in de waardering waren meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast droeg om aan te tonen dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen uit dezelfde wijk werden gebruikt. De rechtbank vond dat de vergelijkingsobjecten voldoende overeenkwamen en dat met verschillen in waardebepalende factoren voldoende rekening was gehouden.
De stelling van eiseres dat de ligging matig zou zijn en dat er sprake was van overlast werd niet gevolgd, omdat de woning niet direct tegenover een t-splitsing ligt en er geen bewijs was van extra overlast. Ook de stijging van de waarde ten opzichte van het voorgaande jaar werd als gerechtvaardigd beoordeeld, aangezien de waarde steeds opnieuw op basis van actuele verkoopcijfers wordt vastgesteld.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat verweerder met de taxatiematrix voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling, ook zonder vaste correctiepercentages. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarde bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €389.000,- wordt ongegrond verklaard.