ECLI:NL:RBMNE:2021:4483
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Huurtoeslag terugvordering wegens samenwonen toeslagpartner onterecht
Eiser ontving een voorschot huurtoeslag over 2019, maar de definitieve berekening door verweerder leidde tot een lagere huurtoeslag en een terugvordering van €157,-. Dit betrof met name de maand december 2019, waarin eiser en zijn toeslagpartner samenwoonden en hun gezamenlijke inkomen lager was dan in de voorgaande maanden.
Eiser stelde dat het onrechtvaardig was dat het hogere gezamenlijke inkomen van januari tot en met november 2019 werd meegeteld bij de berekening voor december, terwijl hij hiervan geen voordeel had gehad. Hij verwees naar artikel 26 IVBPR Pro dat discriminatie verbiedt en gelijke bescherming garandeert.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onterecht onderscheid maakte tussen eiser en vergelijkbare gevallen, omdat het hogere inkomen over de eerste elf maanden niet rechtvaardig kon worden meegeteld voor de maand december. Dit onderscheid was niet gerechtvaardigd en in strijd met het discriminatieverbod. Tevens had verweerder het bezwaar niet zonder hoorzitting mogen afwijzen.
Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen de huurtoeslag opnieuw te berekenen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering huurtoeslag over december 2019 wordt vernietigd.