Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
primair),
dan welop die datum en in die plaats heeft geholpen bij genoemde poging tot inbraak (
subsidiair);
primair),
dan welop die datum en in die plaats voornoemde goederen in bezit heeft gehad, terwijl hij wist of moest weten dat die goederen van een misdrijf afkomstig waren (
subsidiair);
primair),
dan welin die periode en plaats [slachtoffer 1] heeft bedreigd (
subsidiair);
4.VOORVRAGEN
5.WAARDERING VAN HET BEWIJS
geprobeerdom [slachtoffer 1] (onder bedreiging) van geweld te dwingen geld af te staan. Uit het dossier blijkt wel dat [slachtoffer 1] is afgeperst door medeverdachten (voltooid delict), maar de rechtbank komt tot de conclusie dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte (dat samen met anderen) ook heeft geprobeerd. In de chatgesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 1] wordt niet (direct) gesproken over geld. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder feit 4 primair tenlastegelegde.
6.BEWEZENVERKLARING
7.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
8.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
9.OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
10.BENADEELDE PARTIJ
10.BESLAG
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
12.BESLISSING
- verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een
- bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een
- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat verdachte:
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren;
- beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met:
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 7 dagen hechtenis met een maximum van 6 maanden;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
- Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel
- wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 2.876,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2019;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] € 2.876,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2019, aan de Staat te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 38 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;
- bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;
- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 269,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] ;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] € 269,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;
- bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;
- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 156,67;