ECLI:NL:RBMNE:2021:3787
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde appartement nabij voorzieningen
De zaak betreft een beroep van de eigenaar van een appartement tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van €386.000,- voor het belastingjaar 2020. De eigenaar stelde een lagere waarde van €376.000,- voor, ondersteund door een eigen taxatierapport.
De rechtbank heeft de taxatiematrix van de gemeente beoordeeld en geoordeeld dat deze voldoende inzicht biedt in de waardebepaling, waarbij referentiewoningen van hetzelfde type zijn gebruikt en verschillen zoals gebruiksoppervlakte en ligging zijn meegewogen. Diverse beroepsgronden van eiser, waaronder het niet verstrekken van bepaalde stukken, de ligging nabij een basisschool en kinderdagverblijf, het principe van afnemend grensnut en de vve-reserve, zijn door de rechtbank afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet tijdig en adequaat heeft gewezen op vermeende schendingen van artikel 40 Wet Pro WOZ en artikel 8:42 Awb Pro, waardoor deze gronden buiten beschouwing blijven. Ook is de vergelijking met WOZ-waarden van referentiewoningen niet geschikt om de waarde van de woning te verlagen. De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €386.000,- wordt ongegrond verklaard.