ECLI:NL:RBMNE:2021:3485
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning te Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Utrecht voor het belastingjaar 2020, vastgesteld op €219.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder, de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, heeft het bezwaar van eiser eerder ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde met een taxatiematrix onderbouwd.
De rechtbank heeft beoordeeld of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat de waardebepaling is gebaseerd op vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en perceelgrootte. Eiser stelde dat er betere referentiewoningen waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met gedateerde voorzieningen en de ligging tegenover een school.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de referentiewoningen terecht heeft gekozen en dat de Waarderingsinstructie geen bindende rechtsregel vormt. Verder is voldoende toegelicht hoe de verschillen tussen de woning en referentiewoningen zijn gewaardeerd. De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €219.000,- wordt ongegrond verklaard.