ECLI:NL:RBMNE:2021:2878
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding na bezwaar en beroep
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 29 juni 2021 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning te Utrecht voor het belastingjaar 2020. De eigenaar van de woning betwistte de vastgestelde waarde van €453.000,- en stelde een lagere waarde van €327.000,- voor, onderbouwd met een taxatierapport. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, handhaafde de waarde en overlegde een taxatiematrix met referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, ondanks het buiten beschouwing laten van een referentieobject vanwege de verkoopdatum. De rechtbank nam ook de toelichting over de waardering van bijgebouwen en de staat van onderhoud mee. De door eiser aangevoerde waardeverminderingen wegens ligging en voorzieningen werden niet voldoende onderbouwd.
Hoewel verweerder in de bezwaarfase niet alle gevraagde gegevens had verstrekt, erkende de rechtbank dat dit een formeel gebrek was dat met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd omdat de gegevens in beroep alsnog waren verstrekt. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten wegens het formele gebrek in de bezwaarprocedure.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met toekenning van proceskostenvergoeding aan eiser.