Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[gedaagde sub 3],
[gedaagde sub 5],
[gedaagde sub 7],
1.De procedure
- de dagvaarding van 21 mei 2021, met producties 1 t/m 11
- de producties 1 t/m 8 van [gedaagde sub 1] c.s.
- de mondelinge behandeling van 3 juni 2021
- de pleitnotities van [eiseres]
- de pleitnota (aangeduid als conclusie van antwoord) van [gedaagde sub 1] c.s.
2.De feiten
primair) een bedrag van € 158.612,00 gevorderd van [gedaagde sub 1] c.s. De vordering is door deze rechtbank grotendeels afgewezen (bij vonnis van 18 juli 2018) en [eiseres] is in hoger beroep gegaan. Op 12 februari 2021 heeft bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna ook te noemen: het gerechtshof) een mondelinge behandeling plaatsgevonden en op 30 maart 2021 is arrest gewezen.
3.Het geschil
Subsidiair, voor het geval geoordeeld zou worden dat op [gedaagde sub 1] c.s. wel een verplichting rust om na te komen, heeft zij, onder meer, een beroep gedaan op opschorting. Voorts heeft [gedaagde sub 1] c.s. erop gewezen dat de vordering van [eiseres] niet toewijsbaar is op de wijze zoals deze is geformuleerd, nu de deurwaarder, die de betreffende bescheiden in bewaring onder zich houdt, opdrachtnemer van [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. deze derhalve geen instructies kan geven. [gedaagde sub 1] c.s. heeft daarom
primairgeconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiseres] , dan wel
subsidiairom aan een veroordeling tot nakoming de voorwaarde te verbinden, dat [gedaagde sub 1] c.s. pas hoeft na te komen nadat [eiseres] de proceskosten van de procedure bij het gerechtshof heeft voldaan en dit ook met een veroordeling van [eiseres] in de kosten van dit kort geding.
4.De beoordeling
“voorzitter constateert dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de vrij te geven stukken die nu onder bewijsbeslag liggen en dat daarom geen afgifte van stukken meer wordt gevraagd”en verwijst het gerechtshof daarnaar in zijn arrest, maar het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal vermeldt de gemaakte afspraken tussen partijen niet, terwijl een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst ontbreekt. Daarnaast wordt in de hiervoor onder 2.3 respectievelijk 2.5. genoemde e-mail en fax van de zijde van [eiseres] ook niet heel stellig verklaard dat partijen op 12 februari 2012 een sluitende afspraak gemaakt hebben. In de e-mail gaat het over overeenstemming,
die als de advocaat het goed begrepen heeft, bereikt is en in de fax staat dat [eiseres]
de indrukhad dat er sluitende afspraken gemaakt waren. Tenslotte heeft [gedaagde sub 1] c.s., zoals uit het hiervoor onder 2.4. genoemde bericht blijkt, in antwoord op de onder 2.3. genoemde e-mail laten weten dat volgens haar geen afspraak gemaakt was. Na ontvangst van het proces-verbaal van 12 februari 2021 heeft zij het gerechtshof bericht dat zij van mening is dat de inhoud van het proces-verbaal op dit punt niet juist is. Zij verwijst in haar brief aan het gerechtshof naar haar akte van 13 februari 2021. Daarin verzet zij zich uitvoerig tegen de hiervoor genoemde wijziging van eis van [eiseres] . Dat zou niet nodig geweest zijn, indien partijen ter zitting van 12 februari 2021 een sluitende afspraak gemaakt zouden hebben. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dan ook vanaf de zitting bij het gerechtshof op 12 februari 2021 consequent het bestaan van de door [eiseres] gestelde afspraak betwist.
“ [eiseres] heeft bij voornoemde bescheiden een rechtmatig belang bij inzage of afschrift ervan. Allereerst omdat de bescheiden zich bevinden en/of hebben bevonden in de aan [eiseres] en/of [A] toebehorende e-mail accounts, als ook blijkt uit die bescheiden de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de tussen hen bestaand hebbende rechtsverhouding, als ook de bedoeling die partijen, althans [A] heeft gehad met het aangaan van de overeenkomst en waaruit blijkt dat partijen er alles aan deden om een arbeidsverhouding te omzeilen terwijl die in de kern aan alle vereisten van een arbeidsovereenkomst voldeed.”
1.016,00