ECLI:NL:RBMNE:2020:5388
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek naturalisatie wegens onvoldoende bewijs identiteit en nationaliteit
Eiser, die sinds 1989 in Nederland woont, heeft een verzoek tot naturalisatie ingediend dat is afgewezen omdat hij geen gelegaliseerde geboorteakte of geldig reisdocument kon overleggen en vermoedelijk binnen de rehabilitatietermijn van vijf jaar in aanraking was geweest met justitie.
Eiser stelde dat hij in bewijsnood verkeerde omdat de Ethiopische ambassade de gevraagde documenten niet verstrekte en dat de afwijzing hem onevenredig hard raakte. Ook voerde hij aan dat verweerder de samenwerkingsverplichting had geschonden door niet te wachten tot de rehabilitatietermijn was verstreken en dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij werkelijk in bewijsnood verkeerde, omdat hij niet met objectieve stukken kon onderbouwen dat de ambassade de documenten niet wilde verstrekken. Daarnaast is het aan eiser om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en is verweerder bevoegd om bewijs te verlangen.
Verder is geen sprake van schending van de samenwerkingsverplichting, aangezien eiser zelf het verzoek indiende terwijl de rehabilitatietermijn nog niet was verstreken en verweerder gebonden is aan wettelijke termijnen. De rechtbank vond ook dat de afwijzing niet onevenredig hard was en dat verweerder terecht kon afzien van een hoorzitting in bezwaar.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om naturalisatie blijft afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek is ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit.