ECLI:NL:RBMNE:2020:5192
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waardering appartement na onderbouwde taxatie
De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een appartement met parkeerplaats en berging, gelegen aan een adres in een plaats, met een waardepeildatum van 1 januari 2018 voor het belastingjaar 2019. De gemeente stelde de waarde vast op €499.000 en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en dat de waardestijging ten opzichte van het voorgaande jaar onjuist was.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente aan haar bewijslast had voldaan door een taxatierapport en een waardematrix te overleggen, waarin de waarde was bepaald aan de hand van systematische vergelijking met twee vergelijkbare appartementen in hetzelfde complex. De verschillen tussen de objecten waren voldoende verdisconteerd. De rechtbank verwierp het argument van eiser dat de waardestijging onjuist was, omdat de WOZ-waarde elk jaar opnieuw moet worden bepaald aan de hand van actuele verkoopcijfers.
Verder stelde eiser dat de VvE-reserves niet in de waardebepaling mochten worden meegenomen. De rechtbank stelde vast dat de VvE-reserves niet waren meegerekend, conform de geldende regels. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat de informatie op de gemeentelijke website geen toezegging inhield tot verlaging van de waarde bij bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af, maar verweerder zegde toe het griffierecht te vergoeden vanwege communicatieproblemen in de bezwaarfase. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 17 november 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardering van het appartement wordt ongegrond verklaard.