ECLI:NL:RBMNE:2020:5118
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering teveel betaalde WW-uitkering over juli 2019
Eiser was van 24 april 2019 tot 26 juni 2019 in dienst bij werkgever 1 en ontving een WW-uitkering. Het Uwv beëindigde de uitkering per 1 mei 2019, hervatte deze per 1 juli 2019 met een dagloon van € 64,94 en stelde later vast dat eiser over juli 2019 teveel WW had ontvangen, waarvoor terugvordering werd bevolen.
Eiser betwistte dat het loon van werkgever 1 dat betrekking had op werkzaamheden tot eind juni 2019 volledig aan juli 2019 mocht worden toegerekend. De rechtbank oordeelde dat het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (AIB) voorschrijft dat het inkomen over een aangiftetijdvak van vier weken wordt toegerekend aan de maand waarin dat tijdvak eindigt, ook als de werkzaamheden in een voorgaande maand plaatsvonden.
Verder stelde eiser dat het Uwv onjuist het volledige salaris van € 510,64 van werkgever 2 over week 31 (29 juli tot 4 augustus 2019) in mindering had gebracht op juli 2019, terwijl hij slechts twee dagen in juli werkte. De rechtbank bevestigde dat het Uwv mocht uitgaan van de polisadministratie en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze gegevens onjuist waren.
Eiser voerde aan recht te hebben op een nabetaling, maar ook dit werd verworpen omdat het Uwv terecht was uitgegaan van de beschikbare inkomensgegevens. De rechtbank concludeerde dat het Uwv de terugvordering terecht had vastgesteld en dat geen dringende redenen bestonden om hiervan af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het Uwv mag terecht € 272,84 terugvorderen wegens teveel betaalde WW-uitkering over juli 2019.