Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
- Ten aanzien van feit 1 heeft hij aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het gieten, gooien dan wel sprenkelen van benzine over [slachtoffer] .
- Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het stichten van de brand, ook niet in voorwaardelijke vorm. Op basis van het procesdossier en hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht is op geen enkele manier aangegeven welke handelingen van verdachte zouden hebben geleid tot het opzettelijk stichten van de brand. Er kan ten hoogste sprake zijn van culpoze brandstichting.
- Blikseminslag kan worden uitgesloten. Er was geen visuele waarneming van getuigen en bij navraag KNMI geen bliksemactiviteit aanwezig tijdens het ontstaan van de brand.
- Er werd geen technische oorzaak gevonden voor het ontstaan van de brand. Er werd gerookt in de woning.
- Door ons werd bij de voorgevel een glazen drinkbeker aangetroffen met daarin benzine.
- Onder het laminaat ter hoogte van de salontafel en in de glazen drinkbeker werd door ons een aanwezigheid van mogelijk licht ontbrandbare restanten aangetroffen.
- Gelet op de aangetroffen glazen drinkbeker met benzine en onze bevindingen tijdens het sporenonderzoek werd door ons geconcludeerd dat er bij deze brand sprake was van brandstichting.
Soort: brandwond
Past bij toedracht: de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht kan goed passen bij het geconstateerde letsel.
Soort: brandwond
Past bij toedracht: de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht kan goed passen bij het geconstateerde letsel.
Soort: brandwond
Past bij toedracht: de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht kan goed passen bij het geconstateerde letsel.
Soort: brandwond
Past bij toedracht: de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht kan goed passen bij het geconstateerde letsel. [7]
- op 21 april 2019 komt [slachtoffer] rond half 2 ’s nachts aan bij de woning van verdachte aan de [adres] in [woonplaats] ;
- op dat moment heeft verdachte een plastic flesje met benzine in huis;
- verdachte heeft die nacht meerdere malen haar aansteker gebruikt. In de woonkamer stonden meerdere waxinelichtjes die verdachte die avond met een aansteker heeft aangestoken en zij gebruikt de aansteker om haar sigaret aan te steken;
- verdachte heeft benzine in twee theekoppen gegoten en deze neergezet op de tafel die tussen de twee- en de driezitsbank in stond;
- er is benzine op de vloer in de woonkamer terecht gekomen;
- op 21 april 2019 rond 05:30 uur is brand ontstaan op de grond aan het rechter uiteinde van de driezitsbank;
- [slachtoffer] heeft hierbij vlam gevat en meerdere tweede- en derdegraadsbrandwonden opgelopen;
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
- een Pro Justitia rapport van 25 september 2019, opgemaakt door I.M. Brugman, psychiater;
- een Pro Justitia rapport van 27 september 2019, opgemaakt door T. ‘t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog;
- een reclasseringsadvies van 3 oktober 2019, opgemaakt door R. Mohr, reclasseringswerker;
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstrafvan
4 jaren;
1 jaar,
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- verklaart woningbouwvereniging De Alliantie niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.049,02;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag;
- wijst de vordering van [slachtoffer] wat betreft het meer gevorderde (immateriële schade) af;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 13.049,02 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 100 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;