ECLI:NL:RBMNE:2020:3479
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WOZ-beschikking en vaststelling lagere waarde horecapand
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een horecapand en een bovenwoning, beide gelegen aan hetzelfde adres. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar stelde eiser beroep in. De rechtbank splitste het beroep administratief in twee zaken, waarna eiser het beroep tegen de woning introk.
De rechtbank beoordeelde het beroep tegen de WOZ-waarde van het horecapand. Verweerder had een taxatiematrix overgelegd met drie referentiepanden, maar de rechtbank vond de onderbouwing onvoldoende. De huurwaarde was niet duidelijk onderbouwd, twee referentiepanden waren niet vergelijkbaar en de wijze waarop rekening was gehouden met de ligging was onduidelijk. Hierdoor was de vastgestelde waarde te hoog.
Eiser had zijn lagere waarde niet onderbouwd, zodat de rechtbank zelf een schattingswaarde van € 485.000 vaststelde. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten (€ 1.572), het griffierecht (€ 47) en een immateriële schadevergoeding (€ 500) wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak verving de vernietigde uitspraak op bezwaar.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, WOZ-waarde horecapand vastgesteld op € 485.000 en proceskosten, griffierecht en immateriële schadevergoeding toegewezen.