Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2020 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De beoordeling van het geschil door de rechtbank.6.Omdat verweerder in het verweerschrift heeft erkend dat de boete te hoog is vastgesteld, is het beroep al om deze reden gegrond. Het bestreden besluit inhoudende een boete van € 16.200,- kan niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd. Gelet op het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb is dan de vraag of er een mogelijkheid bestaat voor de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien.
het gebruik vanhet arbeidsmiddel (de palletwagen) en naar
de ongewilde gebeurtenis, namelijk het getroffen worden door de pallet en het bekneld raken tussen de palletwagen en de pallet, zodat het onderzoek aansloot bij de door verweerder geconstateerde overtreding. De rechtbank ziet daarom geen grond voor de conclusie dat het onderzoek niet volstond gelet op de daarop volgende besluitvorming of dat er een ander onderzoek had moeten plaatsvinden.
Nog daargelaten dat de rechtbank gelet op wat onder 11. is overwogen met verweerder eens is dat ook zonder de reconstructie voldoende duidelijk is wat er gebeurd is, vindt de rechtbank het begrijpelijk dat verweerder er uit het oogpunt van voortvarendheid voor heeft gekozen om de reconstructie zonder het slachtoffer uit te voeren. Het onderzoek is ook daardoor niet onzorgvuldig geweest.
enwordt zodanig gebruikt’. Dit is cumulatief geformuleerd, terwijl in dit geval alleen sprake was van
zodanig gebruikvan het arbeidsmiddel. Verder volgt uit de woorden ‘dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet (..) zoveel mogelijk is voorkomen’ dat op de werkgever een inspanningsverplichting rust en niet een resultaatverplichting die met zich brengt dat alle potentiële gevaren moeten zijn voorkomen. Verweerder heeft nagelaten toe te lichten hoe de onderneming had kunnen voorkomen dat de werknemer zijn voet buiten de palletwagen hield. Verder is volgens de onderneming ook geen sprake van de in artikel 7.4, derde lid, van de Arbobesluit genoemde voorbeelden van ongewilde gebeurtenissen.
Ook dit betoog slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de eerste zin van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit cumulatief is geformuleerd in die zin dat het arbeidsmiddel zodanig moet zijn geplaatst, bevestigd of ingericht
enzodanig moet worden gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoveel mogelijk is voorkomen. Als aan één of meer van deze voorwaarden niet is voldaan, wordt in strijd hiermee gehandeld. De rechtbank is het verder met verweerder eens dat de opsomming van ongewilde gebeurtenissen in artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit niet limitatief is. Er staat immers, ‘
zoalsverschuiven, omvallen etc.’ Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het getroffen worden door de pallet en het bekneld raken tussen de palletwagen en de pallet als een ongewilde gebeurtenis in hiervoor bedoelde zin mogen aanmerken. De rechtbank overweegt verder dat uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken [7] volgt dat artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit, geen opzet of schuld als bestanddeel bevat. De overtreding staat dus vast, als aan de materiële voorwaarden van het artikel is voldaan. Dat is hier het geval. In beginsel mag in een dergelijk geval van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Weerlegging van de verwijtbaarheid is in een dergelijk geval aan de overtreder. De gestelde inspanningen van de zijde van de onderneming komen dan ook pas aan de orde in het kader van de het beoordelen van het ontbreken van iedere verwijtbaarheid of matiging van de boete. De rechtbank volgt ook niet de stelling van adviesbureau Ten Hove in de verklaring van 4 september 2019 dat artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit in dit geval niet van toepassing is omdat geen sprake is van een falend arbeidsmiddel. Nog daargelaten dat artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit dus geen limitatieve opsomming van de mogelijke ongewilde gebeurtenissen bevat, stelt de rechtbank vast dat als voorbeelden van ongewilde gebeurtenissen naast onder meer oververhitting en ontploffen (dus falen) van het arbeidsmiddel, ook onder meer het verschuiven, omvallen, kantelen en getroffen worden door het arbeidsmiddel worden genoemd, waarbij geen sprake hoeft te zijn van een falend arbeidsmiddel.
onjuist gebruikvan het arbeidsmiddel en dus van een overige overtreding. Verweerder had daarom op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel eerst een waarschuwing of een eis tot naleving moeten geven en niet direct een boete mogen opleggen.
door werknemersals uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete geldt, een normbedrag dat is gecorrigeerd voor bedrijven of instellingen met minder dan 5 werknemers of zelfstandigen. Dat komt neer op een correctie naar 10% procent van het normbedrag.
Of er sprake is van adequaat toezicht hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de werkzaamheden, de ervaring van de werknemer en zijn positie in het bedrijf. Van een werkgever kan in beginsel niet worden gevergd dat hij voortdurend een toezichthouder naast een ervaren werknemer plaatst. De enkele omstandigheid dat er geen toezichthouder aanwezig is op het moment van een ongeval, is op zichzelf niet voldoende om te komen tot het oordeel dat de werkgever niet voldoende feitelijk toezicht op de werkzaamheden heeft gehouden. Wel dient het feitelijke toezicht van dusdanige aard te zijn dat de werknemers hierdoor worden gestimuleerd om zich aan de veiligheidseisen te houden. [10] Hoewel uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat er altijd een leidinggevende aanwezig was, blijkt daaruit ook dat er door de aanwezige leidinggevende niet altijd op werd toegezien dat werknemers hun benen/voeten binnen het staplatform hielden. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij vaak op deze gevaarlijke wijze werkte en dat er nooit iets van gezegd werd. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring van het slachtoffer voldoende concreet om te kunnen concluderen dat er geen adequaat toezicht is gehouden. Daar is door de onderneming onvoldoende tegenover gesteld.
‘Dodemanspedaal houdt voet in cabine… toch?’. Het artikel gaat volgens de onderneming over een vergelijkbare situatie van voetletsel waarbij door verweerder echter geen boete is opgelegd.
De rechtbank overweegt dat het beroep van de onderneming op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Het artikel gaat namelijk over een bedrijfsongeval als gevolg van een constructiefout in het zogeheten ‘dodemanspedaal’. Van een constructiefout of aanwezigheid van een ‘dodemanspedaal’ op de hier gebruikte palletwagens is in deze zaak geen sprake.