Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
Inleiding
7 augustus 2017 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Tegen
Het geschil
De beoordeling door de rechtbank
6 mei 2019 36 uur in aangepaste taken werkt, waarvan 8 uur aan activiteiten binnen het tweede spoor. Binnen het eerste spoor houdt werkneemster zich in haar aangepaste werkzaamheden bezig met taken in het contactbeheer en ondersteunende administratieve werkzaamheden. Werkneemster verricht ook taken van haar eigen functie, namelijk het notuleren van MT-vergaderingen en het uitwerken daarvan. Ze heeft daarvoor echter veel meer tijd nodig dan normaal. Werkneemster mist de routine en de snelheid die ze voorheen had. Ze kan nog geen onoverzichtelijke taken aan of taken die onder tijdsdruk plaatsvinden.
3 mei 2019 heeft vastgelegd. Daaruit blijkt immers dat werkneemster onder meer beperkt is in veelvuldige storingen, deadlines en productiepieken en hoog handelingstempo. De verzekeringsarts van het Uwv heeft in een rapport van 28 mei 2019 aangegeven dat de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden voldoende adequaat heeft omschreven en dat ook de sociaal medische begeleiding voldoende adequaat is. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat werkneemster op dat moment taken uit de eigen functie verrichtte die passen bij haar belastbaarheid.
(MT-)vergaderingen en het zelfstandig concipiëren van brieven, legden teveel druk op haar. De deadline-gevoelige werkzaamheden deed werkneemster daarom niet of maar heel beperkt. Een groot deel van de andere taken zoals die staan beschreven in het rapport van 24 mei 2019 van ArboNed deed werkneemster wel. Deze verklaring van eiseres sluit naar het oordeel van de rechtbank goed aan bij wat in het rapport van 24 mei 2019 staat beschreven over de werkzaamheden die werkneemster verrichtte en pasten bij haar belastbaarheid en over werkzaamheden onder tijdsdruk die ze niet (goed) aankon.
13 februari 2020 ontbreekt een dergelijke toelichting.
,die aansluiten bij de per 13 november 2018 toegenomen belastbaarheid van werkneemster, is daarom op basis van het rapport van 24 mei 2019 niet duidelijk geworden. Ook uit andere door eiseres aangeleverde stukken van voor de datum van het loonsanctiebesluit (12 juni 2019) blijkt dat niet. Pas in het arbeidskundig rapport van ArboNed van 18 november 2019 is inzichtelijk gemaakt dat er geen herplaatsingsmogelijkheden waren binnen de eigen organisatie die aansluiten bij de mogelijkheden van werkneemster. Dit rapport dateert echter van na het loonsanctiebesluit en de conclusies daarin zijn gebaseerd op nadien van eiseres verkregen informatie. Die informatie kan niet bij de beoordeling worden betrokken. Uit de aard van het loonsanctiebesluit volgt namelijk dat de rechtbank die ex tunc dient te toetsen. Dat betekent dat het Uwv bij de heroverweging en dus ook de rechtbank in beroep alleen rekening mag houden met feiten en omstandigheden zoals die bekend waren op 12 juni 2019, toen de loonsanctie werd opgelegd. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat eiseres niet voor 12 juni 2019 inzichtelijk heeft gemaakt of in de periode van 10 augustus 2018 tot aan het loonsanctiebesluit passende arbeid voorhanden was binnen de organisatie van eiseres. Het Uwv kon op het moment dat de loonsanctie werd opgelegd niet beoordelen of de verrichte re-integratie-inspanningen voldoende waren. Het Uwv mocht daarom op
12 juni 2019 concluderen dat de re-integratie-inspanningen op het punt van de passende mogelijkheden tekort zijn geschoten.