Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Uit de kamerstukken waarnaar eiseres heeft verwezen blijkt dat de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de Minister en de Staatssecretaris) bij brief van 21 juni 2018 op vragen van de Tweede Kamer onder meer het volgende op vraag 89 hebben geantwoord:
“Of verrekenbaar verlies tot de inkomens- of vermogenscomponent moet worden gerekend bij de bijstandverstrekking is afhankelijk van de periode waarop het inkomen betrekking heeft. Als het verrekenbaar verlies betrekking heeft op een periode in het verleden waarin geen bijstand is verstrekt dan dient het inkomen uit verrekenbaar verlies als vermogenscomponent te worden beschouwd.”Voor zover de Minister en de Staatssecretaris hiermee hebben bedoeld dat een verrekenbaar verlies dat zijn grondslag heeft in een periode dat geen bijstand is verstrekt behoort tot de vermogenscomponent, ook als de teruggaaf van het verrekenbaar verlies betrekking heeft op een jaar waarin bijstand is verstrekt, dan is het antwoord van de Minister en de Staatssecretaris niet in overeenstemming met artikel 32, eerste lid, van de Pw, en de uitleg die de CRvB aan deze bepaling in zijn uitspraak van 22 januari 2013 heeft gegeven. Het antwoord kan aan die bepaling in een wet in formele zin ook niet afdoen.
Beslissing
mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 mei 2020.