Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Federatie Nederlandse Vakbeweging, te Utrecht, verzoekster
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij] , te [vestigingsplaats] , gemachtigde: mr. M.S. Kikkert.
Procesverloop
Overwegingen
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om handhaving afgewezen. Anders dan verzoekster wil, legt hij conform beleid geen bevel staken arbeid op als chauffeurs hun normale wekelijkse rusttijd in de cabine hebben doorgebracht, maar een boete. Ook treedt hij niet op tegen het genieten van de rusttijd in een vrachtwagen zonder ‘behoorlijke’ slaapfaciliteiten, omdat hiervoor geen wettelijke normering bestaat. Verweerder is naar aanleiding van het verzoek om handhaving wel een inspectieonderzoek gestart bij derde-partij en de aan haar gelieerde buitenlandse vennootschappen.
Heeft verzoekster bezwaar gemaakt?
Is verzoekster belanghebbend bij het verzoek om handhaving en het bestreden besluit?
Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt [2] .
De voorzieningenrechter heeft de statuten van verzoekster opgevraagd en ingezien. Uit artikel 4, eerste lid, van de statuten blijkt dat verzoekster zich - onder andere - ten doel stelt het in stand houden en uitbouwen van een democratische samenleving, in welke de vrijheid van onderhandelen van de vakbeweging van werkenden en niet-werkenden is gewaarborgd. Verzoekster wil in het algemeen de materiele en immateriële belangen behartigen van werkende en niet-werkenden. Zij behartigt in het bijzonder de belangen van haar leden, georganiseerd in sectorale afdelingen en netwerken. Ter verwezenlijking van haar doelstellingen ziet zij het – onder andere - als haar taak om arbeidsomstandigheden die getuigen van respect voor de menselijke waardigheid te bevorderen. [3] Met het door verzoekster ingediende handhavingsverzoek beoogt verzoekster op te komen tegen de door haar gestelde slechte arbeidsomstandigheden van chauffeurs bij derde-partij en bij de aan haar gelieerde buitenlandse vennootschappen.
De voorzieningenrechter sluit vervolgens niet uit dat verzoekster via het ITF ook opkomt voor leden van buitenlandse vakbonden die in dienst zijn bij de aan derde-partij gelieerde vennootschappen, zodat verzoekster ook via die weg belanghebbend is bij het bestreden besluit en het verzoek om handhaving.
Is er een bevoegd besluit genomen?
Bespreking van het verzoek
Los daarvan heeft verzoekster het door haar gestelde spoedeisende belang niet concreet onderbouwd. Zij stelt dat een chauffeur die bij zijn vrachtwagen de normale wekelijkse rusttijd doorbrengt en die geen goede slaapfaciliteit in zijn cabine heeft, moet worden gezien als een chauffeur die helemaal niet uitgerust de weg op gaat en daarom een gevaar op de weg is. De voorzieningenrechter ziet dat met verweerder echter anders. Artikel 4, onderdeel f, van de Verordening (EG) 561/2006 [4] definieert rust als ‘iedere ononderbroken periode waarin een bestuurder vrijelijk over zijn tijd mag beschikken’. Sinds het arrest van het Hof van Justitie inzake Vaditrans van 20 december 2017 [5] is vast komen te staan dat de normale wekelijkse rusttijd van 45 uur niet in de cabine van het voertuig mag worden doorgebracht en verweerder stelt hierop te handhaven. Een overtreding op dit punt, is weliswaar reden tot handhaving, maar maakt nog niet dat ook moet worden aangenomen dat de chauffeur niet zijn normale wekelijkse rusttijd heeft genoten. Hij heeft immers wel een ononderbroken periode vrijelijk over zijn tijd mogen beschikken, waarmee aan de definitie van rust is voldaan. Illustratief voor de omvang van het begrip ‘rust’ vindt de voorzieningenrechter het door verweerder tijdens de zitting gegeven voorbeeld van de chauffeur die zijn normale wekelijkse rusttijd thuis heeft doorgebracht, maar wel tot diep in de nacht heeft feestgevierd. Deze chauffeur heeft ook zijn normale wekelijkse rusttijd genoten, hoewel vraagtekens gezet kunnen worden bij de wijze waarop de rust is vormgegeven. Echter hierover gaat verweerder in dit kader niet.
Dat een chauffeur die de normale wekelijkse rusttijd heeft doorgebracht in een slecht ingerichte cabine, evident een gevaar op de weg is, heeft verzoekster wel gesteld maar verder niet op enige manier concreet onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet dat op basis van wat door partijen is aangedragen ook niet in. Gelet hierop is het verzoek in zoverre ook niet spoedeisend.