ECLI:NL:RBMNE:2019:5007
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Beslissing wrakingsverzoek tegen rechter mr. P.W.G. de Beer in familierechtelijke procedure
Verzoeker heeft mr. P.W.G. de Beer gewraakt wegens vermeende vooringenomenheid in een familierechtelijke procedure. Het wrakingsverzoek was deels gebaseerd op een incident tijdens een zitting op 20 juni 2019, waarbij mr. De Beer 20 minuten alleen was met een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoeker vermoedde dat mr. De Beer de Raad zou hebben geïnstrueerd, wat aanleiding gaf tot het wrakingsverzoek.
De wrakingskamer oordeelt dat dit deel van het verzoek te laat is ingediend en verklaart verzoeker daarvoor niet-ontvankelijk. Verder werd aangevoerd dat mr. De Beer het hoger beroep van verzoeker bewust zou hebben vertraagd door late afgifte van een schriftelijke beschikking en dat hij niet reageerde op een kort geding aanvraag. De kamer vindt geen objectieve rechtvaardiging voor deze vermoedens.
Daarnaast stelde verzoeker dat diverse inhoudelijke beslissingen van mr. De Beer getuigen van vooringenomenheid. De wrakingskamer benadrukt dat onwelgevallige beslissingen geen grond voor wraking vormen tenzij deze onbegrijpelijk zijn en alleen als blijk van vooringenomenheid kunnen worden gezien. Dit is niet het geval.
De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek voor het overige ongegrond en bepaalt dat de lopende procedures worden voortgezet in de stand waarin zij zich bevonden. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. De Beer wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.