Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
(onder andere)geleverd:
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 2 oktober 2019 geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door het verwerven en voorhanden hebben van appartementsrechten van een recreatiepark, terwijl zij wist dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf. Dit betrof een periode van 29 oktober 2014 tot en met 18 juli 2017. De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer leveringsakten en eerdere vonnissen tegen medeverdachten waaruit bleek dat het recreatiepark gefinancierd was met uit misdrijf verkregen geld.
De verdediging voerde aan dat zonder bewezen onderliggend misdrijf geen sprake kon zijn van witwassen, en dat alleen het geldwitwassen bewezen kon worden, niet het witwassen van de parken zelf. De rechtbank verwierp deze verweren en verklaarde het bewezen dat verdachte wist dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren. Medeplegen werd niet bewezen en verdachte werd daarvan vrijgesproken.
Hoewel de officier van justitie een geldboete van €30.000 vorderde, oordeelde de rechtbank dat het opleggen van een straf aan de dochteronderneming geen strafrechtelijk doel dient. Dit omdat strafrechtelijke verwijtbaarheid binnen de bedrijvenstructuur niet groter wordt door doorlevering aan dochterondernemingen en dergelijke doorleveringen bedrijfseconomisch gebruikelijk zijn. Daarom werd geen straf of maatregel opgelegd.
De rechtbank sprak verdachte vrij voor het meer of anders ten laste gelegde en verklaarde het bewezen verklaarde strafbaar en verdachte strafbaar. Het vonnis werd gewezen door voorzitter K.J. Veenstra en rechters M.E. Falkmann en I.L. Gerrits, waarbij laatstgenoemde het vonnis niet medeondertekende.
Uitkomst: Verdachte is schuldig aan witwassen verklaard maar er is geen straf of maatregel opgelegd.