Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde-partij] , te [woonplaats], gemachtigde: mr. D. Mohammadi.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de weigering van een omgevingsvergunning die aan derde-partij was geweigerd voor het bouwen buiten het bouwvlak op percelen nabij zijn woning. Eiser stelde dat hij als verkoper van een perceel belanghebbende was omdat hij schade leed door het besluit. Verweerder had het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebbendheid.
De rechtbank heeft eerst het procesbelang van eiser onderzocht en vastgesteld dat eiser voldoende belang heeft bij de zaak vanwege de door hem gestelde schade. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of eiser belanghebbende is bij het besluit tot weigering van de vergunning. Uit jurisprudentie volgt dat bij een weigering alleen de aanvrager direct belanghebbende is, tenzij de weigering wordt omgezet in een vergunningverlening.
De rechtbank oordeelde dat eiser slechts een afgeleid belang heeft en dat zijn eigendomsverlies voortkomt uit de contractuele relatie met derde-partij. Ook het argument dat de belangen van partijen uiteen zijn gelopen, werd verworpen. Daarnaast zag de rechtbank geen schending van zakelijk of fundamenteel recht en geen schending van de hoorplicht. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond wegens gebrek aan belanghebbendheid bij de weigering van de omgevingsvergunning.