ECLI:NL:RVS:2005:AT8763

Raad van State

Datum uitspraak
6 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200410416/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering vrijstelling bestemmingsplan voor woningbouw

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde op 17 december 2002 een vrijstelling van het bestemmingsplan voor het bouwen van drie woningen op een perceel. Tegen dit besluit maakte een partij bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Utrecht stelde het beroep van deze partij tegen de weigering vrijstelling alsnog gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar.

Het college stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of de partij als belanghebbende kon worden aangemerkt. Uit eerdere jurisprudentie volgt dat alleen de aanvrager van de bouwvergunning als belanghebbende wordt gezien, niet de eigenaar van de grond die niet zelf de aanvraag deed.

Omdat de partij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvrager niet op eigen naam handelde, wordt zij niet als belanghebbende beschouwd en is het bezwaar niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar worden vernietigd. De uitspraak van de Raad treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van weigering vrijstelling bestemmingsplan is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

200410416/1.
Datum uitspraak: 6 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 november 2004 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats]
en
appellant.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2002 heeft appellant geweigerd aan [aanvrager] vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het bouwen van drie woningen op het perceel [locatie].
Bij besluit van 30 juli 2003 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 november 2004, verzonden op 11 november 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 1 maart 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, ambtenaar bij de gemeente, is verschenen. Verder is [wederpartij] verschenen, bijgestaan door mr. J.W.H. Raadgever, advocaat te Vleuten.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.
2.2.    De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op de vraag of [wederpartij] beschouwd kon worden als belanghebbende bij het besluit van 17 december 2002. Zoals eerder door de Afdeling is overwogen in de uitspraak van 10 januari 2002, no. 200103901/2 (JB 2002/67), is bij een besluit om een bouwvergunning te weigeren slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken. Gezien de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2002, no.
200106140/1(JB 2002/327), is de eigenaar van de grond, die niet de aanvrager van de bouwvergunning is, geen rechtstreeks belanghebbende bij de weigering van de bouwvergunning. Hetzelfde geldt voor de weigering vrijstelling te verlenen. Nu in de onderhavige zaak [aanvrager] van de vrijstelling is en [wederpartij] - door enkel in het bezwaarschrift beweerdelijk te stellen dat in zijn opdracht werd gehandeld - niet aannemelijk heeft gemaakt dat [aanvrager] bij die aanvraag niet op eigen naam handelde, is [wederpartij] geen rechtstreeks belanghebbende bij de weigering van de vrijstelling. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat [wederpartij] ontvankelijk was in bezwaar.
2.3.    De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling alsnog de bestreden beslissing op bezwaar vernietigen en bepalen dat het door [wederpartij] tegen het besluit van 17 december 2002 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 november 2004, SBR 03/2240;
II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 30 juli 2003;
III.    bepaalt dat het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 december 2002 niet-ontvankelijk is;
IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos    w.g. Klein Nulent
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005
218-494.