ECLI:NL:RBMNE:2018:4959

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 oktober 2018
Publicatiedatum
12 oktober 2018
Zaaknummer
466790 / HA RK 18-273
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid ongegrond verklaard

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een civiele procedure, stellende dat er sprake was van vooringenomenheid en procedurele onregelmatigheden zoals het ontbreken van spoedeisend belang, te late ontvangst van stukken, en het niet vragen om bewijs van stellingen.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van objectieve maatstaven voor rechterlijke onpartijdigheid en concludeerde dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om te vermoeden dat de rechter niet onpartijdig zou zijn. De vermeende tekortkomingen betroffen vooral procesbeslissingen die niet als vooringenomen konden worden aangemerkt.

De zitting werd ondanks het wrakingsverzoek voortgezet, waarbij verzoekster en haar raadsman niet verschenen. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoekschrift van de vader van verzoekster nog niet was behandeld en dat er geen aanwijzingen waren dat de rechter reeds een beslissing had genomen over het spoedeisend belang.

De wrakingskamer verklaarde het verzoek tot wraking ongegrond en bepaalde dat de procedure in de oorspronkelijke stand wordt voortgezet. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter wordt ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer/rekestnummer: 466790 / HA RK 18-273
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
12 oktober 2018
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoekster).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 7 september 2018;
- het wrakingsverzoek van 9 september 2018;
- de schriftelijke reactie van mr. A.J. Reitsma van 21 september 2018.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 28 september 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling is verzoekster niet verschenen. Mr. Reitsma is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. A.J. Reitsma als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het nummer 7089971 UV EXPL 18-204 LT/33864.
2.2.
Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat:
1- er geen spoedeisend belang is bij de zaak en de rechter daarom niet bevoegd is de zaak te behandelen, maar de rechter deze beslissing niet heeft genomen;
2- zij voor de zitting geen stukken heeft ontvangen en zij, doordat zij de stukken pas op de zitting kreeg, niet de kans heeft gekregen om zaken uit te zoeken en haar standpunt te staven met bewijs. Ondanks dat vond de zitting gewoon doorgang;
3- er bij het vaststellen van de zittingsdatum voorbij is gegaan aan haar verhinderdata, waardoor zij haar vakantie heeft moeten annuleren;
4- de rechter aan de advocaat van de eisende partij en de advocaat van de overige gedaagden niet heeft gevraagd hun beweringen te staven met bewijsmateriaal;
5- de rechter uit niets heeft laten blijken dat het verzoekschrift van haar vader inzake het overnemen van de huur door haar zelf zou worden behandeld of dat een andere rechter dit gaat oppakken.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Verzoekster heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot het oordeel zouden moeten leiden dat er bij haar een naar objectieve maatstaven gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan bestaan.
In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat:
1- uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoekster niet de afwezigheid van het spoedeisende belang ter discussie heeft gesteld, maar haar vader [A] . Verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid de afwezigheid van het spoedeisend belang naar voren te brengen en te onderbouwen;
2- verzoekster ter zitting geen opmerking heeft gemaakt over het niet hebben of te laat hebben ontvangen van stukken. Nadat haar vader [A] hier een opmerking over heeft gemaakt, zijn alle stukken gekopieerd en is een leespauze ingelast. Na hervatting van de mondelinge behandeling heeft verzoekster niet kenbaar gemaakt dat zij onvoldoende tijd had gekregen om de stukken te lezen of zaken uit te zoeken;
3- bij het vaststellen van de zittingsdatum zoveel als mogelijk rekening is gehouden met de opgegeven verhinderdata van alle vier gedaagde partijen en de eisende partij conform het van toepassing zijnde Procesreglement. Verzoekster heeft het feit dat zij verhinderd was ter zitting niet naar voren gebracht;
4- ter zitting niet door verzoekster, maar door haar vader [A] is opgemerkt dat de rechter aan de andere gedaagden niet heeft gevraagd hun beweringen te staven met bewijsmateriaal. Daarnaast is er geen link te leggen tussen het aanhoren van standpunten van partijen en de aanname van de vrees voor vooringenomenheid;
5- het verzoekschrift dat wordt benoemd een verzoekschrift van haar vader betreft. Op dit verzoek is nog geen beslissing genomen.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van
de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel
vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag
persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een
procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de
procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de
vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een
gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid
schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde
maatstaven beoordelen.
3.3.
De rechter is niet bevoegd in de zaak vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang (1) en de rechter heeft de andere gedaagden niet gevraagd hun beweringen te staven met bewijsmateriaal (4)
De wrakingskamer behandelt deze twee gronden gezamenlijk, omdat zij gemeenschappelijke kenmerken hebben. De wrakingskamer overweegt dat uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de vader van verzoekster – en niet verzoekster zelf - het ontbreken van een spoedeisend belang in deze zaak en de omstandigheid dat de rechter de andere gedaagden niet heeft gevraagd hun beweringen te staven met bewijs aan de orde heeft gesteld. Reeds hierom kunnen de onder 1 en 4 gestelde punten geen grond opleveren voor wraking door verzoekster. Indien en voor zover verzoekster heeft bedoeld te stellen dat zij in de wijze waarop de rechter gereageerd heeft op de vragen van [A] aanleiding heeft gezien te denken dat de rechter in de zaak haar, verzoekster, niet onpartijdig tegemoet treedt, geldt het volgende. De rechter nam, zo leidt de rechtbank uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling af, geen (definitieve) beslissing over het spoedeisend karakter van de zaak. Omdat die beslissing nog genomen moest worden bestaat geen grond voor de veronderstelling dat de rechter vooringenomen is. Dat de rechter een of meer partijen niet vroeg stellingen met bewijsmateriaal te onderbouwen betekent niet dat de rechter al beslist had over een of meer geschilpunten. Ook daar valt dus geen vooringenomenheid van de rechter uit af te leiden.
3.4.
De zitting is doorgegaan ondanks dat stukken te laat zijn ontvangen (2) en een zittingsdatum is vastgesteld met voorbijgaan aan de verhinderdata (3)
De wrakingskamer behandelt ook deze twee punten gezamenlijk, omdat beide punten procesbeslissingen betreffen. De beslissing om partijen in de gelegenheid te stellen (te) laat ingediende stukken ter zitting in te brengen en al of niet aan het procesdossier toe te voegen is een procesbeslissing. Dat geldt ook voor de beslissing, waarbij de zittingsdatum is vastgesteld. Dergelijke beslissingen kunnen als zodanig nimmer grond vormen voor wraking. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van deze beslissingen noch over het verzuim te beslissen. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van deze beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten
– bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Dat is echter niet gebleken.
3.5.
Behandeling van het verzoekschrift van [A] (5)
Een vraagpunt met betrekking tot de behandeling van het verzoekschrift van [A] kan naar het oordeel van de wrakingskamer geen grond opleveren voor de veronderstelling dat de rechter jegens
verzoeksterniet onpartijdig zou zijn.
3.6.
De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking aldus ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de president van deze rechtbank en de voorzitter van de afdeling Civiel recht en bestuursrecht van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 7089971 UV EXPL 18-204 LT/33864 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. C.A. de Beaufort en
mr. L.P. de Haas als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2018.
de griffier mr. C.A. de Beaufort
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.