ECLI:NL:RBMNE:2018:482
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag op grond van artikel 4:6 Awb bevestigd door rechtbank
Eiser heeft een aanvraag om bijstand ingediend die op 12 juli 2017 werd afgewezen omdat hij volgens verweerder niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Tegen deze afwijzing liep een bezwaar- en beroepsprocedure. Kort daarna diende eiser een nieuwe aanvraag in, waarbij hij aangaf dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. Verweerder wees deze aanvraag af met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiser stelde dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld en het besluit onvoldoende had gemotiveerd, omdat het al een dag na de aanvraag was genomen zonder nader onderzoek. De rechtbank oordeelde echter dat in een situatie waarin geen nieuwe feiten zijn aangevoerd, een besluit binnen één dag zorgvuldig en deugdelijk kan worden genomen. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat het besluit onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd was.
Daarnaast betoogde eiser dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had kunnen maken van de bevoegdheid op grond van artikel 4:6 Awb Pro, mede gelet op de benarde situatie van eiser. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en concludeerde dat verweerder geen beleid voert over deze toepassing, maar dat de omstandigheden geen evident onredelijke toepassing rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard.