Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
‘Op woensdag 6 juli 2016, omstreeks 00:20 uur was op de Rijksweg A27 rechts te Almere (…) een personenauto achterop een andere personenauto gebotst (…). [D]e bestuurster van een Volkswagen personenauto, hierna te noemen voertuig 1, bereed de tweede rijstrook van de Rijksweg A27 rechts (…). De bestuurder van een Peugeot personenauto, hierna te noemen voertuig 2, bereed eveneens de tweede rijstrook van de Rijksweg A27 rechts (…) [2] (…) De bestuurster van voertuig 1 botste met de voorzijde tegen de achterzijde van voertuig 2. Als gevolg hiervan raakten beide voertuigen in een slip. (…) Voertuig 2 kwam in de rechts naast de rijbaan gelegen grasberm terecht, sloeg over de kop en kwam voorbij de rietkraag op z’n dak in de sloot terecht. (…) De oorzaak van dit ongeval is gelegen in het feit dat beide voertuigen op rijstrook 2 reden en de gereden snelheid van voertuig 1 hoger lag dan die van voertuig 2. (…) Als gevolg van het ongeval overleed de bestuurder van voertuig 2 ter plaatse.’ [3] Door de verbalisanten zijn de voertuigen tegen elkaar geplaatst, zodat duidelijk werd hoe de voertuigen zich ongeveer ten opzichte van elkaar bevonden op het moment van de aanrijding. [4] Op de bijbehorende foto’s is te zien dat voertuig 1 met een kleine overlap met de rechtervoorzijde op de linker achterzijde van voertuig 2 is gebotst. [5]
‘Ik sprak haar aan. Ze zei dat er een ongeluk gebeurd was en dat ze in slaap was gevallen.’ [8]
‘ik de auto op cruise control had gezet. (…) Vanaf het moment dat ik de snelweg op ging. Al vanaf de A12. Als ik rem dan stopt de cruise control. [9] (…) V: Hoe voel jij je als je vermoeid bent? A: Heel graag naar huis en naar bed. Dat had ik gister ook toen ik wegreed uit [plaats]. Ik wilde naar huis. (…) Ik heb gestaard gekeken. Ik weet dat omdat ik niet de hele tijd om me heen keek. [10] ’
nietheeft gebrand. Ook uit andere stukken van het dossier blijkt dit niet. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat op basis van de omstandigheid dat de verlichtingsschakelaar was ingeschakeld moet worden aangenomen dat de verlichting brandde en dat de alternatieve lezing van de verdachte niet aannemelijk is geworden.
5.BEWEZENVERKLARING
waardoor die [slachtoffer] werd gedood.
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
9.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;