Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2017 in de zaak tussen
[2001] en [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [2004] ,
te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
[minderjarige 2] ( 13 jaar ) is bekend met een psychiatrische aandoening (een angststoornis en een pervasieve ontwikkelingsstoornis nao) en een taalontwikkelingsstoornis. [minderjarige 2] ging eerst naar het regulier onderwijs. Binnen een jaar kwam de overstap naar Cluster II onderwijs. [minderjarige 2] gaat inmiddels weer naar het regulier onderwijs, maar met ambulante begeleiding. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontvingen tot juni 2015 een pgb op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Eisers hebben daarna bij verweerder een aanvraag voor een herindicatie/vervolgindicatie ingediend waarop de primaire besluiten I, II en IV, zijn genomen. Daarvoor hebben vanaf april 2015 meerdere gesprekken tussen eisers en medewerkers van het Sociaal Team plaatsgevonden.
Op 9 februari 2016 heeft verweerder de toen geldende indicaties voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 1 augustus 2016.
In april 2016 heeft verweerder aan [adviesbureau] ( [adviesbureau] ) – aangedragen door de toenmalige gemachtigde van eisers – de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de zorgbehoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Eisers hebben de conceptrapporten van [adviesbureau] op 5 juli 2016 ontvangen. Vervolgens zijn de conceptrapporten op 7 juli 2016 tijdens een gesprek met verweerder toegelicht door de rapporteur van [adviesbureau] , mevrouw [rapporteur] ( [rapporteur] ). Hierbij waren eisers niet aanwezig. Vervolgens is het definitieve rapport op 8 juli 2016 door [adviesbureau] uitgebracht.
a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake van dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.
Volgens het derde lid van dit artikel kan bij verordening worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
“De gemeente kan in de verordening bepalen in welke situaties en onder welke voorwaarden de persoon aan wie de gemeente een pgb verstrekt, de mogelijkheid heeft om personen in te schakelen uit zijn sociale netwerk.”
22 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4729).
5 juli 2016 ontvangen en verweerder zocht om de geplande bespreking op 7 juli 2016 uit te stellen. Vervolgens heeft [adviesbureau] – zonder reactie van eisers – op 8 juli 2016 het definitieve rapport uitgebracht. De bezwaarschriftencommissie (BAC) heeft hierover op 4 januari 2017 geoordeeld dat eisers – gelet op de omvang van de conceptrapporten en bijlagen en de omstandigheid dat zij deze pas twee dagen voor het gesprek van 7 juli 2016 hadden ontvangen – ten onrechte onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om een reactie op de conceptrapporten te geven en dat hun reactie ook ten onrechte niet in het rapport van [adviesbureau] is verwerkt. De BAC heeft verweerder geadviseerd de reactie van eisers als nog in de beslissing op bezwaar mee te nemen.
Voorts valt uit de bestreden besluiten niet af te leiden dat verweerder de reactie van eisers op de conceptrapporten alsnog heeft meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder eisers alsnog in de gelegenheid moeten stellen om hun reactie op de conceptrapporten naar voren te brengen en deze vervolgens aan [adviesbureau] moeten voorleggen met tenminste de vraag of deze aanleiding geeft tot wijziging van het reeds uitgebrachte definitieve rapport dan wel tot het opstellen van een aanvullend rapport. Voor zover verweerder betoogt dat eisers in het gesprek van 31 augustus 2016 en de vervolggesprekken voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren, is de rechtbank van oordeel dat dat betoog niet slaagt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat onduidelijk is wanneer die vervolggesprekken hebben plaatsgevonden en wat daarin over en weer is verklaard, nu zich in het procesdossier geen andere verslagen bevinden dan van het gesprek op 31 augustus 2016.
Uit het verslag van het cliëntgesprek van 31 augustus 2016 valt slechts af te leiden dat eisers summier op de conceptrapporten hebben kunnen reageren. Op een gegeven moment zegt de voorzitter ook dat er vooral niet veel tijd en energie moet worden gestoken in wat er niet aan het/de rapport(ten) zou deugen. Verder blijkt niet dat verweerder de wel gegeven reactie van eisers aan [adviesbureau] hebben voorgelegd, noch in de bestreden besluiten heeft meegewogen. Zo hebben eisers tijdens het gesprek van 31 augustus 2016 bijvoorbeeld betwist dat zij hebben gezegd dat zij overbelast zijn. Ook hebben eisers aangegeven dat het rapport van de huisarts ontbreekt, waaruit blijkt dat zij niet overbelast zijn. Dit terwijl de huisarts volgens eisers een vragenlijst van [rapporteur] hebben ingevuld, wat niet in de conceptrapporten is opgenomen.
Beslissing
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.485,-.
mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2017.