Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker] , h.o.d.n. [handelsnaam] , te [plaats] , verzoeker
de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
3 november 2017.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker, eigenaar van een autoschadeherstelbedrijf, verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester om zijn bedrijfspand voor twaalf maanden te sluiten. Dit besluit was genomen vanwege de aantijgingen dat het pand betrokken was bij criminele activiteiten, waaronder heling van gestolen auto-onderdelen en de verbinding met een illegale sigarettenfabriek in het naastgelegen pand.
De burgemeester baseerde zijn besluit op onderzoeksrapportages van de FIOD, politie en andere instanties, waaruit bleek dat er een criminele organisatie actief was die het pand gebruikte voor illegale praktijken. Verzoeker betwistte de aantijgingen en stelde dat hij geen wetenschap had van de criminele activiteiten en dat de sluiting onterecht en disproportioneel was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van artikel 2:46 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Utrecht en dat het besluit voldoende was gemotiveerd. De rapportages waren betrouwbaar en gaven een reëel beeld van de situatie. De sluiting werd gezien als een noodzakelijk en proportioneel middel om de openbare orde te herstellen en de criminele activiteiten te bestrijden.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het bedrijfspand wordt afgewezen.