Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
2.De feiten
In conventie en in reconventie
wethouder [B]) onbehoorlijke opmerkingen gemaakt in
Overwegingen:
3.De vordering en het verweer
In conventie
4.De beoordeling
In conventie
[gedaagde sub 2]) meer waarde aan de conclusies uit zijn rapport en zette hij de heer [eiser] in de media letterlijk als leugenaar weg. De uitspraken van gedaagde in de media zijn voor [eiser] zeer beschadigend gebleken en zijn dat nog steeds.”, aldus [eiser] . Naar de me-ning van [eiser] zou het rapport van Bureau Integriteit verwijderd moeten worden. Meer specifiek heeft [eiser] gesteld dat de stelling van [gedaagde sub 2] tijdens de persconferentie, dat hij voor 99,5% zeker is dat er geen sprake is geweest van seksuele intimidatie, in strijd is met de conclusie in het rapport dat het “onwaarschijnlijk” is dat hiervan sprake is geweest. De Accountantskamer heeft dit onderdeel van de klacht ook gegrond verklaard, aangezien deze conclusie niet kon worden gegeven voor wat betreft de personen die niet hebben meegewerkt aan het onderzoek.
€ 904,00(2 punten x tarief € 452,00)
€ 904,00(2 punten x tarief € 452,00)