Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[derde-partij 2], te [woonplaats] ,
[derde-partij 4], te [woonplaats] ,
Procesverloop
Overwegingen
Ten aanzien van het beroep (UTR 17/2205)
[getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] , waaruit naar haar mening duidelijk blijkt dat de woning al vanaf 1990, maar ook al eerder, gesplitst bewoond werd. Met verweerder is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat deze verklaringen te algemeen zijn (op)gesteld om daaruit af te kunnen leiden dat er op de peildatum daadwerkelijk sprake was van dubbele bewoning. Uit de GBA blijkt evenmin dat er op de peildatum sprake was van andere bewoners dan [C] en [D] , die samen woonden in de benedenwoning op [woning 1] . Het koopcontract uit 1983 ziet niet op de peildatum en vermeldt bovendien dat het onroerend goed niet is verhuurd. Eiseres heeft geen enkel stuk weten te overleggen waaruit blijkt wie er dan daadwerkelijk woonde(n) op de peildatum. Onder deze omstandigheden heeft verweerder een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de GBA en het koopcontract dan aan de eerder genoemde verklaringen.