Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2016 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , beide wonende te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening is het verboden zonder vergunning van het college houtopstanden te vellen of te doen vellen.
Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening wordt een kapvergunning geweigerd, tenzij uit de afweging van de in geding zijnde belangen blijkt dat het belang van de velling van de houtopstand groter is dan het belang van handhaving van de houtopstand.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het college de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in belang van onder meer:
(…)
d. beeldbepalende waarden van de houtopstand.
In paragraaf 2.3.2 (Beoordeling van aanvragen om kapvergunning) van de Beleidsnota staat het volgende:
1. de motivering van de aanvrager niet valide is (bijvoorbeeld de boom is niet ziek of dood, geen overlast),
2. er een andere oplossing dan velling (bijvoorbeeld snoei) mogelijk is,
3. Bij afweging van de belangen het belang van behoud van de boom (bijvoorbeeld beschermenswaardige boom) uiteindelijk zwaarder weegt.
De uitwerking van de beoordelingscriteria, zoals hieronder gegeven, heeft niet de bedoeling uitputtend te zijn. Naast deze criteria kunnen ook andere gronden aanwezig zijn waarop een vergunning, na afweging, geweigerd of verleend kan worden. In de praktijk doen zich namelijk altijd situaties voor die om maatwerk vragen.
(…)
(…)
d. De beeldbepalende waarde van de boom. Hiervan is in ieder geval sprake als:
- de boom onderdeel is van een hoofdgroenstructuur, zoals aangegeven op de samenvattingskaart groenbeleid,
- de boom onderdeel in van het straat-/laan-/wijkbeeld, zoals beschreven in het Groenstructuurplan 1992 (GSP),
- de boom karakteristiek is voor een wijk (zoals aangegeven in GSP),
- de boom karakteristiek is voor een plek (ensemblewaarde).
(…)
(…)
5. Boom is te groot voor de tuin (zie paragraaf 2.3.1)
(…)’
Op grond van het tweede lid van dit artikel bedraagt de in lid 1 bedoelde afstand voor bomen twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de heesters en heggen een halve meter, tenzij ingevolge een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten.
De te verrichten belangenafweging