Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2016 in de zaken tussen
Eneco Warmteproductie Utrecht B.V., te Utrecht
Procesverloop
Overwegingen
kwikin de BREF Grote Stookinstallaties geen BBT-conclusie is opgenomen zodat artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit geldt, waarin een emissiegrenswaarde van 0,05 mg/m3 is opgenomen. De rechtbank overweegt dat het Activiteitenbesluit waarborgt dat voor deze stof de beste beschikbare technieken worden toegepast. Gelet hierop heeft verweerder in hetgeen de [eiser sub 1] naar voren heeft gebracht over de afvaloven REC dan ook geen aanleiding hoeven zien om in de vergunning strengere grenswaarden aan de emissie van
kwikte stellen.
dioxinen en furanenwordt in de BREF Grote Stookinstallaties onder 5.5.12 het volgende opgemerkt: “In some biomass fired plants, especially wood-fired combustion plants, the emissions of dioxins and furans have been measured and an emission level of below 0.1 ng/Nm3 is generally regarded as achievable”. In voorschrift 7.2.1 van de vergunning heeft verweerder uitgaande van deze BREF een emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen opgenomen van 0,1 ng/Nm3. De rechtbank overweegt dat een zo laag mogelijke concentratie van dioxinen en furanen in de leefomgeving noodzakelijk is voor de gezondheid van de mens en voor het milieu. De minimalisatieplicht van artikel 2.4, tweede lid, van het Activiteitenbesluit houdt in dat een drijver van een inrichting waar deze stoffen worden gebruikt, geproduceerd of geëmitteerd, ervoor moet zorgen dat de uitstoot van deze stoffen tot een minimum wordt beperkt. Eneco heeft in de aan de [eiser sub 1] gerichte brief van 13 april 2016 vermeld dat te verwachten is dat door toepassing van schone biomassa en de rookgasreinigingsconfiguratie ruimschoots aan deze norm zal worden voldaan. Eneco vermeldt in deze brief een grenswaarde te hanteren van 0,05 ng/Nm3 en een streefwaarde van 0,03 ng/Nm3. Ter zitting heeft Eneco beide uitgangspunten bevestigd. Hieruit blijkt dat de emissies van dioxines en furanen beduidend kleiner kunnen zijn dan door verweerder is vergund in voorschrift 7.2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het emissiewaarden heeft vergund die zijn gebaseerd op een emissieconcentratie van 0,1 ng/Nm3. De enkele verwijzing naar een waarde die volgens verweerder overeenkomt met toepassing van de beste beschikbare technieken is onvoldoende, nu voor deze stoffen een minimalisatieverplichting geldt. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb.
dioxinen en furanenen de rechtbank vernietigt in die zin het bestreden besluit. De rechtbank beslecht de aan haar voorgelegde geschillen zo definitief mogelijk en staat daarom voor de vraag of zij toepassing kan geven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank is niet gebleken van belemmeringen die aan het zelf voorzien in de weg staan. De rechtbank bepaalt, gelet op wat Eneco over de door haar gehanteerde grenswaarde voor dioxinen en furanen heeft verklaard, daarom dat voorschrift 7.2.1 van het bestreden besluit ten aanzien van dioxinen en furanen wordt aangepast en als volgt volledig luidt:
Beslissing
- verklaart het beroep van [eiser sub 2] ongegrond;
- verklaart het beroep van [eiser sub 1] gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor wat betreft het daaraan verbonden voorschrift 7.2.1;
- bepaalt dat voorschrift 7.2.1 wordt gewijzigd op de wijze als zoals opgenomen onder randnummer 16. van deze uitspraak;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;
- bepaalt dat verweerder aan de [eiser sub 1] het betaalde griffierecht van € 334,- vergoedt.