Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 januari 2016
- de akte houdende producties van [eiser] d.d. 16 maart 2016
- het proces-verbaal van comparitie van 24 maart 2016.
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer had een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Strapex en werd op staande voet ontslagen wegens een dringende reden. Hij betwistte het ontslag en startte een procedure met een loonvordering, waarbij hij aanvankelijk stelde dat het ontslag nietig was. Tijdens de procedure wijzigde hij zijn grondslag naar strijd met goed werkgeverschap en onrechtmatige daad, maar dit werd buiten beschouwing gelaten vanwege strijd met de procesorde.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer zijn vordering te laat had ingediend. Volgens de Wet werk en zekerheid moet een verzoek tot vernietiging van ontslag op staande voet binnen twee maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst worden ingediend. De werknemer had deze termijn overschreden en zijn argumenten voor de vertraging werden niet geloofwaardig geacht, mede omdat zijn advocaat al binnen de termijn een brief had gestuurd.
Daarom werd de werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De kantonrechter benadrukte dat de specifieke wettelijke regeling voor ontslag op staande voet niet kan worden aangevuld met een toets op goed werkgeverschap of onrechtmatigheid buiten de wettelijke kaders.
Uitkomst: Werknemer wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de vervaltermijn voor het aanvechten van ontslag op staande voet.