Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de beschikking van 17 februari 2016
- de akte van de vrouw van 14 maart 2016 ter nadere uitwerking Iraans huwelijksvermogensrecht, tevens houdend wijziging van verzoek
- de brief van mr. Zwaan van 10 mei 2016 met productie 19 en 20
- de brief van 12 mei 2016 met producties 46-49
- de pleitaantekeningen van mr. Gruiters
- de zitting van 24 mei 2016. Partijen hebben daar geantwoord op vragen van de rechter, hun standpunten nader toegelicht en hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden
2.De verdere beoordeling
“Ojratomesl”, ook wel aangeduid als
“quantum meruit” (“het verdiende bedrag”). Zij heeft daartoe verwezen naar een (door haar als producties 19 en 20 overgelegd in het Iraans gesteld en in het Engels vertaald) artikel getiteld
“The new procedure of receiving fair remuneration (quantum meruit) for matrimonial period”, zoals dat drie jaar geleden in een Iraans tijdschrift is verschenen.
ojratomeslzal bepalen doordat de man een bedrag van € 300.000,- aan de vrouw zal voldoen, kosten rechtens.
Ojratolmesl/quantum meruit(productie 47). Bij de brief van 12 mei 2016 heeft de man tevens zijn verzoek gewijzigd aldus dat de rechtbank zal bepalen dat Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat sprake is van een algehele uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen volgens Iraans recht en om daarbij zal bepalen dat ieder der partijen gerechtigd is tot de op zijn/haar naam staande goederen, zonder nadere verdeling/verrekening. Daarnaast verzoekt de man dat de rechtbank de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen daarbij zal vaststellen als nader omschreven in deze brief.
Mahr) (2.9.) en (iii) de aanspraak van de vrouw op de
Ojratomeslof
quantum meruit(2.10.) De rechtbank zal deze punten hierna in voornoemde volgorde beoordelen.
“Ojratomesl”, ook wel aangeduid als
“quantum meruit”(te vertalen als
“het verdiende bedrag”). De vrouw stelt – onder verwijzing naar de huwelijksakte van partijen – dat partijen de in de Iraanse huwelijksakte voorkomende voorwaarde A niet hebben ondertekend. Deze niet ondertekende voorwaarde A houdt in dat:
“[i]ndien de echtscheiding niet op aanvraag van de echtgenote plaatsvindt en de rechtbank oordeelt dat de aanvraag van het huwelijk niet het gevolg is van het niet voldoen van de verantwoordelijkheden van de vrouw of misdragingen van haar, dan is de echtgenoot verplicht tot de helft van zijn bestaande activa verkregen tijdens het huwelijk met haar of het equivalent daarvan, te bepalen door de rechtbank, zonder meer aan de echtgenote over te dragen”. Vanwege het niet van toepassing zijn van deze voorwaarde A geldt volgens de vrouw naar Iraans recht dat zij dan
Ojratomeslkan opeisen. Dit komt neer op een vorm van loonbetaling door de man aan de vrouw voor door haar tijdens het huwelijk verrichte
“niet-islamitische verplichtingen”. Daaronder valt ook het verrichten van huishoudelijk werk en het verzorgen van de kinderen omdat de vrouw mocht verwachten dat daarvoor de hulp van derden wordt ingeschakeld. De vrouw stelt, met uitvoerige stellingen over de taakverdeling tussen partijen tijdens het huwelijk, mede omdat de man in die periode goed renderende ondernemingen heeft kunnen opzetten, dat de man niet conform de islamitische wet naar haar heeft gekeken
“alsof ze een bloem is”, maar haar
“als een knecht heeft gebruikt”, zodat zij in totaal over de huwelijksperiode jegens de man aanspraak kan maken op € 300.000,-, aldus de vrouw.
Ojratomeslnaar Iraans recht een nevenvoorziening is bij echtscheiding en geen onderdeel van het huwelijksvermogensrecht. Aangezien op de echtscheiding met nevenvoorzieningen Nederlands recht van toepassing is, en het Nederlands recht geen
Ojratomeslkent, dient de vrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek, aldus de man. Verder betwist de man dat de vrouw werkzaamheden heeft verricht die naar Iraans recht niet tot haar taken als echtgenote behoorden en dat de vrouw de gestelde werkzaamheden in zijn opdracht heeft verricht. Ook zou het onredelijk zijn indien de man zou worden veroordeeld tot betaling van de bruidsgave én de
Ojratomeslomdat bij het bepalen van de bruidsschat ten tijde van de huwelijkssluiting van partijen in 1993 een hoog bedrag als bruidsschat is bepaald en het Iraans recht destijds de huidige wettelijke limitering van de hoogte van bruidsschatten nog niet kende. Uiterst subsidiair kan de totale aanspraak van de vrouw voor alle huwelijksjaren maximaal worden begroot op € 7.460,- tot € 9.325,-, aldus de man.
Ojratomeslgeen toepassing kan vinden omdat deze naar Iraans recht een nevenverzoek bij echtscheiding is, en op de echtscheiding van partijen Nederlands recht van toepassing is – slaagt niet.
Ojratomesl) tot deze verwijzingscategorie (huwelijksvermogensregime) of een andere verwijzingscategorie (echtscheiding, zoals de man betoogt) behoort, is niet bepalend het Iraanse recht (zoals de man kennelijk voorstaat) maar de bepalingen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Het betreft hier een kwestie van secundaire kwalificatie (heeft een materieelrechtelijke regel van de
lex causaede eigenschappen van de materieelrechtelijke regels waarnaar de verwijzingsregel beoogt te verwijzen?). Het begrippenapparaat van het internationaal privaatrecht van de
lex fori(dus het Nederlands internationaal privaatrecht), is bepalend voor de vraag naar zowel welke rechtsverhoudingen (primaire kwalificatie) als welke rechtsregels (secundaire kwalificatie) onder het begrip van een verwijzingscategorie vallen (zie Asser-Vonken, 10-I, Nederlands internationaal privaatrecht, Algemeen deel IPR, 2013, nrs. 315-319). De inhoud van het Iraanse recht, waarnaar de man verwijst, is niet relevant ter beantwoording van de vraag of, en zo ja, tot welke verwijzingscategorie van Nederlands internationaal privaatrecht het Iraanse recht van
Ojratomeslbehoort.
Ojratomesluitsluitend als nevenverzoek bij echtscheiding kan worden ingesteld. In het door de vrouw (als producties 19 en 20) overgelegde artikel – dat in zoverre door de man niet is betwist – staat over het sinds 13 januari 2007 gewijzigde artikel 336 Civil Pro Law (in samenhang met artikel 29 Family Pro Protection Law) het volgende:
Ojratomesl(of fair remuneration) niet enkel kan worden ingesteld als nevenverzoek bij echtscheiding, zoals de man stelt, maar ook tijdens het huwelijk buiten enig echtscheidingsgeding.
Ojratomesl– een ‘beloning’ van de vrouw door de man voor de door haar in het huishouden verricht werk, die ook tijdens het huwelijk los van enige echtscheidingsprocedure kan worden gevorderd – naar Nederlands internationaal privaatrecht dient te worden gekwalificeerd als behorend tot de verwijzingscategorie rechtsbetrekkingen tussen de echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 10:35-10:38 BW. Tot de onderwerpen behorend tot deze verwijzingscategorie behoren verplichtingen zoals bijvoorbeeld de naar Nederlands materieel recht bestaande verplichting om elkaar het nodige te verschaffen (artikel 1:81 BW Pro). De naar Iraans recht bestaande
Ojratomeslkan niet worden gekwalificeerd als behorend tot de verwijzingscategorie huwelijksvermogensregime of echtscheiding.
Ojratomeslgeen toepassing kan vinden in dit geding. Het op de persoonlijke rechtsbetrekkingen van de echtgenoten toepasselijk Nederlands recht kent geen vergelijkbare bepaling. Artikel 1:81 BW Pro dat bepaalt dat echtgenoten elkaar het nodige dienen te verschaffen, biedt hiervoor geen grondslag. Het verzoek van de vrouw dient in zoverre dan ook te worden afgewezen.
Ojratomeslzal worden afgewezen (rov. 2.10).
3.De beslissing
voorwaardelijktoe aan de vrouw, aldus dat de vrouw tot uiterlijk drie maanden nadat de uitspraak inzake de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen onherroepelijk is geworden de gelegenheid heeft om de overname van de woning te financieren en de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de bank voor de aan de woning verbonden hypothecaire schuld,