Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
op tegenspraakgewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
Rechtbank Midden-Nederland
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 45.897,24, later verlaagd naar € 11.474,31, wegens het telen van hennepplanten door verdachte. Verdachte werd veroordeeld voor het aanwezig hebben van 245 hennepplanten, maar vrijgesproken voor het telen en verwerken daarvan.
De rechtbank stelde vast dat de laatste oogst was mislukt en dat verdachte geloofwaardig verklaarde dat eerdere kweken vrijwel niets hadden opgeleverd. Hoewel resten van hennepplanten en vervuiling in de kwekerij duidden op meerdere pogingen, was onvoldoende aannemelijk dat hieruit opbrengsten waren gegenereerd.
De rechtbank oordeelde dat indien verdachte eerder succesvol was geweest, hij voldoende ervaring zou hebben gehad om de laatste oogst te laten slagen. Het gebruik van tweedehandsapparatuur die al vervuild was, verklaarde mede de aangetroffen vervuiling.
Gelet op deze feiten was er onvoldoende grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat de vordering van de officier van justitie werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van opbrengsten.