Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 4 november 2015;
- de akte overlegging producties van AlleKleur;
- de antwoordakte van Achmea.
2.De verdere beoordeling
in conventie
9.030,00(3,5 punten × tarief € 2.580,00)
Rechtbank Midden-Nederland
De stichting AlleKleur vordert betaling van declaraties voor specialistische geestelijke gezondheidszorg verleend aan verzekerden van Achmea in 2012 en 2013. Achmea erkent de verschuldigdheid niet, maar wil verrekenen met een eigen vordering wegens onterecht betaalde declaraties uit 2010, omdat volgens haar niet altijd een geldige verwijzing van een eerstelijns hulpverlener aanwezig was.
De rechtbank beoordeelt een steekproef van 47 DBC's uit april 2010, waarbij voor negen DBC's onvoldoende bewijs van een geldige verwijzing is geleverd. Op basis van deze steekproef en extrapolatie wordt geconcludeerd dat ten minste 8% van de declaraties onterecht is betaald. Achmea mag dit bedrag terugvorderen, waarbij de rechtbank rekening houdt met een betrouwbaarheidsmarge van 95% en een spreiding van 19%.
De rechtbank oordeelt dat de vordering van Achmea tot terugvordering van €137.918 mag worden verrekend met de vordering van AlleKleur van €713.052,39. Hierdoor resteert een toewijsbaar bedrag van €575.134 ten gunste van AlleKleur. Daarnaast wordt Achmea veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering in voorwaardelijke reconventie van Achmea wordt afgewezen.
De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en veroordeelt Achmea in de proceskosten ten gunste van AlleKleur.
Uitkomst: Achmea wordt veroordeeld tot betaling van €575.134 aan AlleKleur, na verrekening met terugvordering wegens onterecht betaalde declaraties uit 2010.