Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
- [medeverdachte 2] ,
- [getuige 1] ,
- [medeverdachte 4] ,
- [verdachte] en
- [getuige 2] .
Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat het benchmarkonderzoek is “overgelegd of ingebracht” ter “onderbouwing of rechtvaardiging” van de gehanteerde tarieven. Niet kan worden vastgesteld dat het benchmarkonderzoek vóór het onderzoek van Group Audit aan de directie van SNS(PF) is overgelegd ter onderbouwing van de nieuwe tarieven.
Kamerstukken II1965/66, 8437, nr. 4, p. 7). De huidige Memorie van Toelichting van artikel 328ter Sr betrekt het te beschermen belang -zonder aanpassing van het begrip lasthebber- eveneens op de belangen van de consument, de economische sector en de samenleving als geheel (
Kamerstukken II 2012/13, 33685, nr. 4, p. 14-15).
NJ1991, 318). Zo is bijvoorbeeld voldoende dat de omkoper giften aan de omgekochte doet om zijn zakelijke relatie met de werkgever van de omgekochte in stand te houden of te verbeteren terwijl de omgekochte daarop invloed had en dit moet hebben begrepen (HR 16 januari 1990,
DD90.197).
De rechtbank neemt met name in aanmerking dat [medeverdachte 1] in eerste instantie verklaart dat slechts een deel van de betaling betrekking had op de coaching, terwijl [verdachte] verklaart dat de gehele betaling hierop betrekking had. De latere verklaringen van [medeverdachte 1] , die meer in overeenstemming zijn met de verklaringen die door [verdachte] zijn afgelegd, acht de rechtbank niet betrouwbaar. Zo heeft [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris verklaard dat de betalingen zagen op het advies dat hij gaf. In het geval dat [verdachte] meer betaalde dan waarvoor zij daadwerkelijk was geadviseerd, was volgens [medeverdachte 1] sprake van een gunfactor. Deze verklaring wijkt echter sterk af van zowel zijn eerdere verklaringen als de schriftelijke verklaring die [medeverdachte 1] op 21 maart 2013 samen met zijn raadsman heeft opgesteld. In die laatste verklaring noemt [medeverdachte 1] twee redenen waarom [verdachte] aan [medeverdachte 1] betaalde: kickback en advies. De rechtbank vindt het opvallend dat de verklaringen van [medeverdachte 1] sinds de opheffing van zijn beperkingen en zijn invrijheidstelling zo sterk zijn gewijzigd en veel meer overeenkomsten vertonen met de verklaringen die door [verdachte] zijn afgelegd. De rechtbank kan aan geen van deze verklaringen dan ook een doorslaggevende betekenis toekennen.
Over de aard van de coaching verklaart [verdachte] dat deze betrekking had op allerlei vlakken. Er stond volgens [verdachte] geen vast aantal uren tegenover. De afspraak dat [medeverdachte 1] haar zou coachen en dat zij hem daarvoor zou betalen, is ook niet schriftelijk vastgelegd. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat de advieswerkzaamheden waarover wordt verklaard onvoldoende concreet zijn om als declarabele werkzaamheden te kunnen worden aangemerkt.
Ook gelet op het totale bedrag dat door [verdachte] aan [medeverdachte 1] is betaald, namelijk ruim € 134.000,-, is niet aannemelijk dat dit betrekking had op de genoemde werkzaamheden. Dit geldt temeer wanneer gelet wordt op het uurtarief dat [verdachte] zelf declareerde voor de werkzaamheden die zij verrichtte voor de vennootschappen van [medeverdachte 1] , van rond de € 50,-.
Ten slotte is door [medeverdachte 1] en [verdachte] geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat de vergoeding die [verdachte] betaalde niet was gekoppeld aan de duur van de coaching die zij kreeg, maar aan de uren die zij werkte voor SNSPF.
Voor wat betreft de juridische dwaling geldt dat, wanneer een delictsomschrijving subjectieve vereisten voor aansprakelijkheid formuleert, een beroep op verontschuldigbare juridische dwaling als het ware moet worden gezien als een bewijsverweer. In de thans voorliggende strafbepalingen zijn in de delictsomschrijvingen van het bewezenverklaarde bestanddelen opgenomen waardoor een bepaalde mate van opzet en/of schuld is vereist. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank deze bestanddelen bij feiten 2, 3 en 6 ook bewezen. Van (juridische of feitelijke) dwaling/afwezigheid van alle schuld is dan ook geen sprake en het verweer wordt verworpen.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen en maatregelen
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
200 uur.