Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling op 20 januari 2016 en de voortzetting daarvan op 25 februari 2016.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser trad op 3 maart 2014 in dienst bij gedaagde voor een half jaar, waarna het contract werd verlengd tot 2 september 2015. Na die datum werkte eiser door zonder dat een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand kwam. Gedaagde stelde dat het dienstverband was geëindigd en betaalde geen loon meer vanaf 1 november 2015.
Eiser vorderde loonbetaling, verstrekking van salarisspecificaties en wedertewerkstelling. De kantonrechter oordeelde dat ondanks het ontbreken van een nieuwe overeenkomst, eiser gerechtvaardigd mocht aannemen dat het dienstverband stilzwijgend werd voortgezet voor een jaar tot 2 september 2016, vanwege de onduidelijkheid die gedaagde had gecreëerd.
Gedaagde kon niet aannemelijk maken dat eiser zich niet beschikbaar had gehouden. Het loonbedrag werd vastgesteld op € 1.862,53 netto per maand, gebaseerd op betaalde bedragen in september en oktober 2015. De vordering tot doorbetaling van loon werd toegewezen vanaf 1 november 2015 tot het einde van het dienstverband. De vakantietoeslag werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van afwijkende afspraken.
De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van loon met wettelijke rente, verstrekking van salarisspecificaties en tot het binnen een maand toelaten van eiser tot zijn werkzaamheden, met dwangsommen bij niet-naleving. Proceskosten werden aan gedaagde opgelegd.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt geacht stilzwijgend te zijn verlengd tot 2 september 2016, met doorbetaling van loon en wedertewerkstelling.