ECLI:NL:RBMNE:2015:8822

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 december 2015
Publicatiedatum
10 december 2015
Zaaknummer
16/994019-14 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een rechtspersoon voor gewoontewitwassen in het kader van oplichting met obligatiefondsen

Op 7 december 2015 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 66-jarige man uit Soest, die werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor oplichting met obligatiefondsen in Duits vastgoed. De rechtbank beschouwde de man als de initiator van de oplichting, waarbij ook zijn vrouw, zoon en drie medewerkers werden veroordeeld. Daarnaast waren verschillende vennootschappen, waaronder de rechtspersoon in deze zaak, gedagvaard. De rechtbank kon aan deze rechtspersonen geldboetes opleggen, maar besloot dit niet te doen omdat de vennootschappen failliet waren, wat zou leiden tot benadeling van de slachtoffers.

Het onderzoek ter terechtzitting vond plaats op 28 september en op 2, 5 en 8 oktober 2015, waarbij de verdachte niet aanwezig was en verstek werd verleend. De tenlastelegging betrof het witwassen van geldbedragen in de periode van 31 december 2013 tot en met 21 januari 2014. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, als onderdeel van een structuur van rechtspersonen, betrokken was bij het aantrekken van gelden van investeerders door middel van valse voorwendselen. De rechtbank concludeerde dat de verdachte het totale ten laste gelegde bedrag van € 1.400.000,00 had witgewassen, en dat er sprake was van gewoontewitwassen.

De rechtbank oordeelde dat, hoewel het bewezen verklaarde feit de oplegging van een straf rechtvaardigde, het niet passend was om een geldboete op te leggen gezien het faillissement van de verdachte. De rechtbank volstond met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, waarbij de belangen van de gedupeerden voorop stonden. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 9a, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/994019-14 (P)
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 december 2015
in de strafzaak tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [adres] , [postcode] te [vestigingsplaats] ,
p.a. mr. H.A. Lanting (curator), Wittevrouwensingel 1, 3581 GA te Utrecht.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2015 en 2, 5 en 8 oktober 2015. Namens de verdachte is niemand ter terechtzitting verschenen. Tegen de verdachte is verstek verleend.
Ook tijdens de zitting van 23 november 2015, waarbij alleen het onderzoek is gesloten, is niemand verschenen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie.

2.Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 31 december 2013 tot en met 21 januari 2014 van het witwassen van geldbedragen een gewoonte heeft gemaakt.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officieren van justitie zijn ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte € 1.400.000,00 heeft witgewassen.
4.2
Het oordeel van de rechtbank
4.2.1
Algemene overweging vooraf
In onderhavige zaak gaat het –kort gezegd– om het aanbieden van obligatieleningen door diverse obligatiefondsen met als doel de door beleggers ingelegde gelden aan te wenden voor het aankopen van vastgoedobjecten in Duitsland.
Kort samengevat ziet de werkwijze er als volgt uit:
Potentiële beleggers worden middels prospectussen geïnformeerd over de obligatiefondsen. Wanneer zij besluiten te participeren, maken zij hun inleg over naar een stichting die toezicht houdt op onder meer het aankoopbeleid van het obligatiefonds. Deze stichting kan het geld van de beleggers vervolgens vrijgeven aan de exploitatie-/werkmaatschappij. De exploitatie-/werkmaatschappij koopt met de inleg vervolgens feitelijk het onroerend goed aan.
4.2.2
Het bewijs
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.
Bewijsoverweging
De verdachte rechtspersoon maakt onderdeel uit van een structuur van rechtspersonen, waarvan het gezamenlijke doel is het aantrekken van gelden van investeerders (beleggers). Kort samengevat ziet de structuur er als volgt uit:
  • Een obligatiefonds, in casu verdachte, geeft obligatieleningen uit;
  • beleggers die een obligatielening aangaan, storten hun inleg op de bankrekening van de verdachte rechtspersoon;
  • de verdachte rechtspersoon geeft de gelden vrij aan de exploitatiemaatschappij ten behoeve van de aankoop van het onroerend goed.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat beleggers door valse voorwendselen zijn bewogen om geld te investeren en zijn opgelicht. Dit investeren doen zij door hun inleg over te boeken naar de bankrekening van een stichting. Omdat verdachte onderdeel uitmaakt van een structuur, beter gezegd een constructie, merkt de rechtbank verdachte aan als medepleger van de oplichting. Nu het doel is om gelden van investeerders aan te trekken, moet tevens worden vastgesteld dat de gelden die op de bankrekening van verdachte terecht zijn gekomen uit eigen misdrijf (te weten de oplichting) afkomstig zijn. Vervolgens is geld overgeboekt, ofwel omgezet, naar allerhande andere rekeningen en zijn daarmee betalingen verricht en privé-onttrekkingen gedaan. Hierdoor is de criminele herkomst van de gelden verborgen of verhuld. De rechtbank sluit hierbij aan bij de arresten van de Hoge Raad d.d. 17 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:2001) en 8 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX4449).
Op 21 januari 2014 stond er nog € 299.900,00 op de rekening van verdachte. Van dit bedrag kan de rechtbank, gelet op het heen en weer schuiven met geld tussen verschillende bankrekeningen van verschillende vennootschappen, de herkomst niet meer vaststellen. Dit geld heeft zich op deze wijze vermengd met de andere van misdrijf afkomstige gelden op de rekening van verdachte. Om die reden merkt de rechtbank het geldbedrag dat nog op de bankrekening van verdachte staat ook aan als zijnde witgewassen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het totale ten laste gelegde bedrag heeft witgewassen.
Gelet op de langere duur waarbinnen de gelden op de bankrekening zijn gestort en overgeboekt is er tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat
[verdachte] BV, op tijdstippen, gelegen in de periode van 31 december 2013 tot en met 21 januari 2014 te Amersfoort en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte, telkens
voorwerpen te weten geldbedragen, tot een totaal van Euro 1.400.000,00, overgedragen en/of omgezet terwijl verdachte en haar mededaders wisten dat die geldbedragen - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als
Medeplegen van gewoontewitwassen.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen geachte feit schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf.
8.2.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het al dan niet opleggen van een straf in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Door een valse voorstelling van zaken zijn mensen bewogen gelden in te leggen in beleggingsfondsen. De gelden die door verdachte zijn aangetrokken zijn door de beleggers overgemaakt. Vervolgens zijn deze gelden door verdachte overgeboekt ten behoeve van andere doeleinden dan waarvoor de gelden door de beleggers zijn ingelegd. Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit. Dat heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het blanco strafblad van verdachte en op het feit dat de verdachte rechtspersoon vanaf 31 maart 2015 failliet is.
Hoewel het bewezen verklaarde strafbare feit de oplegging van een straf rechtvaardigt, acht de rechtbank het, gelet op het faillissement van verdachte, niet passend of geboden om aan de verdachte rechtspersoon een geldboete op te leggen. Het opleggen van een geldboete zal immers ten koste gaan van de boedel en dus ten nadele komen van een eventuele vordering van gedupeerde beleggers Hun belang stelt de rechtbank juist voorop. Om die reden zal de rechtbank, conform de eis van de officieren van justitie, volstaan met het uitspreken van een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Strafbaarheid
- Het bewezen verklaarde levert op:
Medeplegen van gewoontewitwassen.
- Verklaart het bewezene strafbaar.
- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Strafoplegging
- Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en A.M. Verhoef, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 december 2015.
BIJLAGE : De tenlastelegging
[verdachte] BV, op een of meer tijdstippen, gelegen in
of omstreeks de periode van 31 december 2013 tot en met 21 januari 2014 te
Amersfoort en/of Soest en/of Baarn en/of Amstelveen en/of elders in
Nederland en/of Duitsland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een)
ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft
gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededaders (telkens)
meermalen
van (een) voorwerp(en) te weten (een of meerdere) geldbedragen, tot een totaal
van Euro 1.400.000,- (D-929), althans enig(e) geldbedrag(en), de werkelijke
aard, herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verborgen
en/of verhuld en/of voornoemd(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad
en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van gemaakt terwijl zij,
verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) en/of
geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig
misdrijf;
Artikel 420ter/420bis lid 1 sub a en b jo artikel 47 lid 1 Wetboek van
Strafrecht
art 420ter Wetboek van Strafrecht
art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht