ECLI:NL:RBMNE:2015:7565

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 oktober 2015
Publicatiedatum
19 oktober 2015
Zaaknummer
4383833 UC EXPL 15-12666 rch/1466
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 BWArt. 436 lid 4 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank bij bewindvoering en afhankelijke woonplaats

In deze civiele zaak tussen Leidse Onderwijsinstellingen B.V. en de bewindvoerder van een onder bewind gestelde persoon, werd een verzoek tot verbetering van het vonnis ingediend. Eisende partij verzocht om correctie van de verwijzing naar de locatie Amersfoort, stellende dat behandeling te Utrecht passend zou zijn.

De kantonrechter overwoog dat op grond van artikel 1:12 lid 2 en Pro lid 4 BW de woonplaats van de bewindvoerder bepalend is voor de relatieve bevoegdheid van de rechter bij de uitoefening van het bewind. Omdat de bewindvoerder kantoor houdt te Amersfoort, is de rechtbank aldaar bevoegd.

De kantonrechter wees het verzoek tot verbetering af, bevestigde de locatie Amersfoort als bevoegde rechtbank en bepaalde een nieuwe roldatum. De zaak wordt daar verder behandeld, met behoud van verdere beslissingen.

Uitkomst: Verzoek tot verbetering van het vonnis wordt afgewezen en de zaak blijft behandeld worden door de rechtbank te Amersfoort.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 4383833 UC EXPL 15-12666 rch/1466
Vonnis van 21 oktober 2015
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Leidse Onderwijsinstellingen B.V. ,
handelend onder de naam LOI ,
gevestigd te Leiderdorp ,
eisende partij,
gemachtigde: Van Arkel Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen:
[bewindvoerder] ,
kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder/curator van [A] , wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.Het verzoek tot verbetering

1.1.
Bij brief van 1 oktober 2015 is namens eisende partij de kantonrechter verzocht om verbetering van het op 30 september 2015 in deze zaak gewezen vonnis, in die zin dat de verwijzing naar locatie Amersfoort onjuist zou zijn (gelet op artikel 1:12 lid 1 en Pro lid 4 BW). Voorts voert eisende partij aan dat een behandeling van deze verstekprocedure door de kantonrechter te Utrecht de belangen van de wederpartij niet schaadt.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter is van oordeel dat voormelde verwijzing naar de locatie Amers-foort terecht en op goede gronden heeft plaatsgevonden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
2.2.
Artikel 1:12 BW Pro - voor zover hier van belang - luidt als volgt:
2. Wanneer iemands goederen onder bewind staan, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit bewind betreft, de woonplaats van de bewindvoerder.
(…)
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing voor zover het betreft de relatieve bevoegdheid van de rechter gedurende een curatele, een bewind als bedoeld in titel 19 en een mentorschap. Hetzelfde geldt indien ten aanzien van een persoon een curatele, een mentor-schap of een bewind als bedoeld in titel 19 en tevens een bewind als bedoeld in afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 of een bewind als bedoeld in artikel 182 van Pro Boek 7 van kracht zijn en de bevoegde kantonrechter de andere kantonrechter als uitsluitend bevoegde heeft aangewezen.
In de Memorie van Toelichting bij dit artikel is onder meer het volgende opgenomen:
“De redactie van het nieuwe vierde lid van artikel 12 houdt Pro er rekening mee dat voor aange-legenheden die niet van doen hebben (met) het rechterlijk toezicht en rechterlijke beslissingen gedurende de beschermingsmaatregel, de afhankelijke woonplaats van de curator, bewind-voerder en mentor overeenkomstig de hoofdregel van artikel 12 blijft Pro gelden. Te denken valt aan voor de betrokkene bestemde post: deze zal, juist omdat bescherming is beoogd, uiteraard aan de wettelijke vertegenwoordiger blijven worden gestuurd, terwijl bij voorbeeld voor de bewindsrekening (vgl. artikel 436, vierde lid) uiteraard ook het adres van de bewindvoerder moet worden aangehouden.”
2.3.
Gelet hierop, als ook op hetgeen is overwogen in hoofdstuk I van de ‘Aanbevelingen Meerderjarigenbewind’ van het Landelijk Overleg Civiel en Kanton (LOVCK), vastgesteld op 8 juni 2015, wordt geoordeeld dat in gevallen als de onderhavige, waarin niet de bewind-voering als zodanig in geschil is - in welk geval het bepaalde in lid 4 van toepassing is - maar het de uitoefening van het bewind betreft, uit lid 2 van artikel 1:12 BW Pro volgt dat de woon-plaats van de bewindvoerder moet worden aangehouden voor het antwoord op de vraag voor welke locatie van de rechtbank de zaak aangebracht moet worden. Nu de bewindvoerder kantoor houdt te Amersfoort, is de kantonrechter van de rechtbank Midden Nederland, zit-tingsplaats Amersfoort bevoegd en dient de zaak daar verder behandeld te worden.
2.4.
Teneinde misverstanden te voorkomen zal de kantonrechter nogmaals een nieuwe roldatum bepalen en de eisende partij bevelen om een herstelexploot uit te brengen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst het verzoek om de verwijzing ongedaan te maken af;
3.2.
bepaalt dat de zaak op de rol van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Civiel recht, locatie Amersfoort, van woensdag 28 oktober 2015 te 09:30 uur blijft staan;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek en is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.