Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2015 in de zaak tussen
Nedgoed B.V., gevestigd te Ouderkerk
Procesverloop
Overwegingen
In het besluit van 10 januari 2014 is toegelicht dat in afwijking van de planregels van dit bestemmingsplan (de planregels) het volgende wordt toegestaan:
- een overschrijding van het bouwvlak aan de noordoost-, noordwest- en zuidwestgevel, waar de bouwgrenzen, doordat het eerder drie individuele panden betrof, niet recht zijn getrokken maar inspringen bevatten;
- een overschrijding van de bestemmingsgrens door de hoektoren met 0,125 m²;
- een overschrijding van de toegestane bouwhoogte van 13 meter met 1,10 meter ter plaatse van de hoektoren.
De eerste twee afwijkingen heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) vergund.
De derde afwijking heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo in samenhang met artikel 60, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels vergund.
In het besluit van 10 januari 2014 is vermeld dat voor het tekort van drie parkeerplaatsen met toepassing van de parkeerbijdrageregeling tegen storting van een parkeerbijdrage ten bedrage van 3 x € 5.326,71 een ontheffing zal worden verleend.
De rechtbank begrijpt dat verweerder met het woord ‘ontheffing’ bedoelt een afwijking als bedoeld in artikel 53, tweede lid, onder 2, van de planregels.
Bijbehorend bouwwerk?
Artikel 4, aanhef en ten eerste onder a, van bijlage II van het Bor bepaalt - voor zover hier van belang - dat voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij voor handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, onder meer in aanmerking komen: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan.
- er door het oprichten van een blinde muur van 13 meter, nagenoeg tegen hun zijgevel aan, ontoelaatbaar veel licht aan de naastgelegen appartementen [adres] [nummer] en [nummer] wordt onttrokken;
- het balkon en dakkapellen bij deze appartementen al meer dan tien jaar bestaan, en voorheen deels grensden aan de naastgelegen inrit, hetgeen betekent dat er door verkrijgende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan die inhoudt dat aan deze zijde van de percelen op de laatste meters tot de erfgrens niet hoger dan één meter mag worden gebouwd;
- de smalle tussenruimte die hier tussen de gebouwen ontstaat zal leiden tot een onreine situatie, gevaar voor de volksgezondheid en stank.
a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;
(…)
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
Op grond van het tweede lid van dit artikel blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.
Op grond van artikel 53, tweede lid, onder 2, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde onder 1 voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.
Voor ‘kamerverhuur’ in de schil geldt een parkeernorm van 0,4 parkeerplaats per kamer. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op de kengetallen van het CROW.
Uit de vergunning van 10 januari 2014 blijkt dat verweerder voor de negen grotere appartementen de parkeernorm voor een woning goedkoop van 1,3 heeft toegepast. In het bestreden besluit heeft hij voor de 0,3 parkeerplaats per appartement ten behoeve van bezoek die in deze norm is begrepen ontheffing verleend. De mogelijkheid daartoe is door eisers niet betwist. Wat betreft de 36 kleinere appartementen begrijpt de rechtbank uit de toelichting van verweerder dat hij in de omvang van deze appartementen én de doelgroep (volgens de aanvraag en de toelichting daarbij: alleen studenten) aanleiding heeft gezien om niet uit te gaan van de parkeernorm voor een woning goedkoop, maar aansluiting te zoeken bij een meer passende parkeernorm.
Zij ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of verweerder zich, door bij de kleinere appartementen een parkeernorm van 0,4 parkeerplaats per appartement toe te passen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in voldoende mate in de parkeerbehoefte is voorzien. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, mits er een voldoende waarborg is dat daadwerkelijk wordt voldaan aan de door verweerder gedane aanname dat de 36 kleinere appartementen enkel door studenten zullen worden bewoond. Daarbij is van belang dat verweerder aan zijn motivering om bij deze appartementen uit te gaan van de norm voor kamerverhuur, ten grondslag heeft gelegd dat de doelgroep bij kamerverhuur dezelfde is als de doelgroep bij de verhuur van deze specifieke appartementen. Die aanname oordeelt de rechtbank zoals gezegd niet onredelijk, zij het dat de bewoning door deze doelgroep dan wel blijvend gegarandeerd moet zijn.
vooralsnogmet een campuscontract worden aangeboden. Ook in het bestreden besluit staan geen concrete, aan vergunninghoudster gerichte, voorwaarden inzake de bewoning van de 36 kleinere appartementen. De mededeling ter zitting dat deze woningen via een woningstichting zullen worden verhuurd, maakt dit niet anders.
9 grotere appartementen - niet kenbaar gebruik gemaakt van deze bevoegdheid voor wat betreft de winkels en de grootte van de winkelruimte. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 53, tweede lid, onder 1, van de planregels is genomen.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid en artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in een tussenuitspraak in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder deze gelegenheid te bieden. Zij overweegt daartoe dat de gebreken in het bestreden besluit door het nemen van een nieuw besluit op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb in beginsel herstelbaar zijn.