Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift van de OR ex artikel 36 juncto Pro artikel 27 lid 5 van Pro de Wet op de ondernemingsraden (WOR);
- het verweerschrift van RVWM;
- de brief van 17 februari 2015 van RVWM met een (vervangende) productie;
- de (gecombineerde) mondelinge behandeling op 20 februari 2015, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gehouden;
- de pleitnota van de OR;
- de pleitnota van RVWM;
- het verzoekschrift van RVWM ex artikel 27 lid 6 en Pro voor zover vereist ex artikel 27 lid 4 van Pro de WOR;
- het verweerschrift van de OR;
- de brief van 17 februari 2015 van RVWM met aanvullende producties;
- de (gecombineerde) mondelinge behandeling op 20 februari 2015, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gehouden;
- de pleitnota van RVWM;
- de pleitnota van de OR.
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
- te bepalen dat de OR terecht een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het door RVWM rond 21 november 2014 of later genomen besluit tot het vaststellen van de jaarroosters, zoals in SAP gezet en van het besluit tot het vaststellen van de fijnroosters voor de maand januari 2015, zoals rond 26 november 2014 vastgesteld, omdat hierover voorafgaand op grond van artikel 27 WOR Pro instemming van de OR had moeten worden gevraagd, en
- RVWM op te dragen om genoemde besluiten in te trekken en op basis van de oude roosters de werkzaamheden te continueren.
- het verzoek van RVWM ex artikel 27 lid 6 WOR Pro niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, en
- het verzoek van RVWM ex artikel 27 lid 4 WOR Pro voor zover vereist eveneens niet-ontvankelijk te verklaren dan wel (ingeval van ontvankelijkheid) de OR nog een termijn te geven om inhoudelijk verweer te voeren en een datum te bepalen waarop de mondelinge behandeling dan plaats zal vinden.